KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Voorafgaande aan een inseminatie dient een flink aantal controles te worden uitgevoerd.

Voor het uitvoeren van een intra-uteriene inseminatie moet een beginnend inseminator zich de techniek eigen zien te maken om het sperma, slechts op zijn gevoel, door het nauwe canalis cervices (cervixkanaal) heen tot in de baarmoeder van de koe naar binnen te brengen. Dat is een handeling die vrij lastig is om aan te leren. Men kan nu eenmaal niet met behulp van het eigen gezichtszintuig in het bekken (de pelvis) van de koe waarnemen waar zich de inseminatiepistolet in het geslachtsapparaat van de koe bevindt. Bovendien staat de koe meestal niet stil, ook al staat zij in het meest gunstige geval goed vastgebonden in de stal. Zij dribbelt vaak heen en weer. Soms schopt zij met een van haar poten keihard achteruit. En ondertussen doet zij haar best om de in haar rectum aanwezige arm door middel van peristaltische spierbewegingen naar buiten te persen. De omstandigheden waaronder deze handeling moet worden aangeleerd en uitgevoerd, zijn uitermate hinderlijk.

Toch zal menigeen die techniek na enige tijd wel onder de knie blijken te kunnen krijgen. De enkele druppels verdund diepvriessperma die zich in het rietje bevinden, kunnen dan op de gewenste plaats in de uterus van de koe worden uitgestort. So far so good!....Het feit echter dat men er in slaagt om bij een bepaalde koe een inseminatie uit te voeren, betekent nog lang niet dat men in staat is om die handeling bij alle koeien uit te voeren. De ene koe is namelijk beslist de andere niet. De geslachtsorganen van de ene koe lijken in grote lijnen wel op de geslachtsorganen van de andere koe, maar er bestaan wel degelijk zulke relevante verschillen in de bouw en de ontwikkeling van de geslachtsorganen en de fysiologische status van de koe om de kunst van het uitvoeren van inseminaties bij koeien nooit tot een sinecure te doen worden.

Maar ook als men als inseminator na een lange tijd van ervaring in staat zal zijn om het sperma altijd op de meest gunstige wijze, op de meest gewenste plaats in de uterus van de koe te gaan uitstorten, dan is dat nog slechts voor een relatief gering deel van invloed op de gemiddelde bevruchtingsresultaten die men als inseminator met het insemineren van koeien weet te behalen. De hoogte van de behaalde bevruchtingsresultaten wordt voor een deel ook bepaald door de wijze waarop men met het sperma omgaat. Met name de ontdooitechniek is wat dat betreft van groot belang. Als inseminator zal men daarom frequent moeten gaan controleren of men op de juiste wijze met het sperma omgaat. Voor een ander (relatief groot deel) worden de bevruchtingsresultaten, die men als inseminator met het insemineren van koeien behaalt, bepaald door de selektie die men als inseminator toepast in de koeien waarbij men werkelijk tot inseminatie overgaat. Niet iedere koe die door de veehouders voor inseminatie wordt aangeboden is daadwerkelijk bronstig, of vruchtbaar genoeg om de inseminatie zinvol te doen zijn. Hoe meer zinloze inseminaties men als inseminator uitvoert, hoe groter de kans in feite is dat de met die inseminaties te behalen bevruchtingsresultaten zullen gaan tegenvallen.

Ook het relatief vaak uitvoeren van inseminaties bij koeien waarbij de kans op bevruchting lager dan normaal is, zal bijdragen aan eventuele tegenvallende bevruchtingsresultaten. Maar als inseminator kan men om psychologische redenen maar beter niet gaan trachten om hier veel invloed op uit te oefenen. Men zal zich wat dat betreft slechts tot de nodige voorlichting aan de veehouders moeten gaan beperken. Veehouders die zelf de noodzakelijke inseminaties op hun bedrijf uitvoeren (de zogenaamde DHZ-ers) zijn daarin niet beperkt. Zij kunnen er gemakkelijk toe overgaan te besluiten om de minder vruchtbare koeien op zeker moment niet te gaan insemineren. De koeien die door DHZ-ers worden geïnsemineerd zijn om die reden, gemiddeld gesproken, vruchtbaarder dan de koeien die door inseminatoren worden geïnsemineerd. Dat is dan ook een van de redenen waarom de bevruchtingsresultaten, die DHZ-ers bij het insemineren van hun eigen koeien weten te behalen, lang niet altijd tegenvallen.

Het diepvriessperma wat door de inseminator in de auto wordt meegenomen, wordt bewaard in vloeibare stikstof. Dit is koud genoeg om het vrijwel onbeperkt goed te kunnen houden. Zolang dat sperma tenminste niet gedurende korte of lange tijd aan een te hoge temperatuur wordt blootgesteld. Een inseminator moet er daarom voortdurend op toezien dat het sperma in de container niet te warm kan worden. Namelijk door enerzijds de canisters zonodig slechts op verantwoorde wijze uit de container omhoog te halen en anderzijds door regelmatig te controleren of het stikstofniveau in de container hoog genoeg is.

Het diepvriessperma moet worden ontdooid in een waterbad waarbij de temperatuur zich slechts tussen bepaalde strikte waarden mag bewegen. Daarom moet men er om denken dat de temperatuur van het ontdooiwater regelmatig wordt gecontroleerd. De eisen die aan het ontdooien van diepvriessperma worden gesteld, kan men bestuderen door op deze link te klikken.

Als men inseminaties bij koeien uitvoert, zal men ook goed moeten gaan controleren of men sperma van de juiste stier in de pistolet heeft gedaan. Want als men daar niet uitermate secuur in is, stort de noodzaak voor het uitvoeren van kunstmatige inseminaties bij koeien voor een groot deel in. Het gaat er bij het uitvoeren van k.i. immers om, om de kwaliteit van de koeien te verbeteren middels het kruisen van de moederkoe met een stier waarmee men naar verwachting een kwalitatief betere koe gaat opfokken.

De veehouder zal idealiter, voor aankomst van de inseminator, de registratiekaart van de te insemineren koe al op een vaste plaats hebben klaargelegd. Zodat men als inseminator meteen op de hoogte zal zijn van de registratiegegevens van de te insemineren koe. Na het oppakken van die registratiekaart zal men als inseminator eerst even moeten bekijken welke stier als vader van de te insemineren koe staat geregistreerd. Soms heeft de veehouder een inseminatie opgegeven van dezelfde stier als de stier waarvan de betreffende koe afstamt. Dat is meestal niet werkelijk de bedoeling, dit in verband met het gevaar van inteeltdepressie. Als men als inseminator ontdekt dat men op het punt staat sperma van de vader van het dier voor de inseminatie te gaan gebruiken, zal men even bij de veehouder dienen te checken of dat werkelijk de bedoeling is. Meestal is dat beslist niet de bedoeling, maar een enkele keer komt het voor dat de veehouder zeer bewust van deze nauwe manier van inteelt gebruik maakt om te trachten een bijzonder positieve eigenschap van de betreffende stier stevig in de offspring van de koe te verankeren. Verder zal men op de achterkant van de registratiekaart moeten gaan kijken naar de data van de eventuele voorgaande inseminaties. Dat wil zeggen de inseminatiedata van zowel de huidige lactatieperiode, alswel als die van de eventueel voorafgaande lactatieperiodes. Uit de inseminatiedata van de eventuele voorafgaande inseminatieperiodes krijgt men enig inzicht over de eventuele problematiek die zich in die tijd heeft voorgedaan bij de bevruchting van de koe. En men krijgt uit die data inzicht in de tijd die naar verwachting verlopen is sinds de betreffende koe voor de laatste keer moet hebben afgekalfd. Uit de inseminatiedata van de huidige lactatieperiode kan men gewaar worden hoe frequent de koe in die periode weer opnieuw voor inseminatie is aangeboden. En men kan daaruit gewaar worden wat de tussentijden tussen de betreffende inseminaties zijn. Deze voornoemde tussentijden zijn voor een inseminator van groot belang om te beoordelen in hoeverre er zich omstandigheden zullen kunnen voordoen waarin het ongewenst is om de inseminatie bij de koe werkelijk te gaan uitvoeren. Als de tussentijd tussen de laatste en de huidige inseminatie bijvoorbeeld slechts ongeveer 10 dagen bedraagt, zal een van die beide inseminaties allicht op de tussentocht zijn gelegen. Dat wil dus zeggen: óf de voorgaande inseminatie, óf de huidige (nog uit te voeren) inseminatie. En als de tussentijden tussen de verschillende inseminatiedata bijvoorbeeld veel onregelmatigheden vertonen, is er allicht sprake van nymphomanie bij de betreffende koe. Door controle van de brede bekkenbanden en de ovaria van de koe kan men daar een betrouwbaarder indruk over krijgen (zie verderop).

Ook zal men er als inseminator alert op moeten zijn dat men werkelijk de juiste koe gaat insemineren. Dat is nogal wiedes zal men denken. En dat is ook eenvoudig uit te voeren, zal men denken. Maar de omstandigheden waaronder men als inseminator tegenwoordig op veel veehouderijbedrijven de inseminaties moet uitvoeren, leiden er toe dat er ook wat dat betreft gemakkelijk vergissingen worden begaan. Het feit onder andere dat de veehouders, op menig veehouderijbedrijf, de te insemineren koe niet meer van de andere koeien gaan afzonderen en/of in de stal gaan vastbinden, is zonder enige twijfel, een factor die daar debet aan is. Als men als inseminator de veehouder terwille wil zijn door de betreffende koe dan zelf aan de hand van de voorhanden zijnde registratiekaart op te zoeken, kan er nogal het een en ander mis gaan. De kans dat men hierbij de verkeerde koe opzoekt is dan een ordinaire vergissing die lang niet denkbeeldig is. Ieder mens kan zich daarbij immers vergissen. Als men echter onder die omstandigheden ook nog met de verkeerde registratiekaart rondloopt, zoals helaas maar al te vaak voorkomt, is de kans dat men de verkeerde koe zal gaan insemineren wel erg groot. De te insemineren koe wordt door de inseminator opgezocht aan de hand van het zogenaamde "werknummer" wat op de registratiekaart staat vermeld. Dit werknummer behoort in de betreffende veestapel een uniek nummer te zijn, maar door de aankoop van koeien van andere bedrijven blijken er in de veestapel van een bepaald veehouderijbedrijf soms meerdere identieke werknummers op de registratiekaarten van koeien voor te komen. Ook dit feit leidt dan gemakkelijk tot een dergelijke vergissing.

Zodra men er als inseminator van overtuigd is dat men met de juiste koe van doen heeft, moet men wel even aandacht gaan schenken aan de conditie en de gezondheidstoestand van de koe. Als de betreffende koe heel erg mager is, is de kans klein dat zij na inseminatie drachtig zal gaan worden. De inseminatie heeft dan eigenlijk geen zin. En tegenover de betreffende veehouder moet men daarover ook eerlijk zijn. Het kan goed zijn dat de koe na de partus in een negatieve energiebalans is komen te verkeren. Dat is voor de veehouder een moeilijk te tackelen probleem. Ook kan het zijn dat de koe veel pijn heeft. Met name de chronische vorm van pijn, veroorzaakt vermagering bij een koe. Maar het kan ook zijn dat de betreffende koe gewoon koorts heeft. Van koorts kunnen koeien ook vermageren. Guste koeien die koorts hebben, zijn subfertiel, (door de endotoxinen die vrij kunnen komen bij infecties met koorts). Terwijl drachtige koeien als gevolg van koorts kunnen gaan aborteren. Natuurlijk hoeft men de te insemineren koe niet op de mogelijke aanwezigheid van koorts te onderzoeken. Maar soms zal men dit wel toevalligerwijze bemerken. Namelijk aan de hoogte van de lichaamstemperatuur die men, bij het uitvoeren van de inseminatie, in het rectum van de koe gewaar wordt. Als de lichaamstemperatuur van de koe daarentegen opmerkelijk laag is, is dat van geen betekenis voor de vruchtbaarheid van de koe. Een te lage lichaamstemperatuur is vaak ook van kortdurende aard. De oorzaak van een te lage lichaamstemperatuur bij de te insemineren koe, ligt meestal in het feit dat die koe erg lang vastgebonden heeft gestaan en erg veel dorst heeft gekregen. Als de veehouder die koe dan op zeker moment de kans heeft gegeven om haar dorst te lessen, zal zij erg veel water tot zich hebben genomen. Maar als de temperatuur van het drinkwater dan erg laag is, kan dat de lichaamstemperatuur van de koe tijdelijk relevant doen dalen. Als inseminator wordt men die te lage lichaamstemperatuur van de koe met name gewaar bij het beetpakken van de staart van de koe. Koeien die niet te mager, maar juist veel te vet zijn, hebben ook een verminderde vruchtbaarheid. Leververvetting speelt daarbij een rol. Maar als inseminatoren bemerken wij soms ook dat er bij te vette pinken aan dit probleem een obstructie in de cervix ten grondslag ligt. De passage van de cervix is bij dergelijk pinken dan het probleem. Heft men tijdens het inseminatieproces die obstructie op, dan blijkt een dergelijke pink vaak juist wel drachtig te worden.

Vervolgens zal men als inseminator even vluchtig dienen te toetsen of er bij de betreffende koe ook uiterlijke verschijnselen aanwezig zijn die er op wijzen dat de koe inderdaad tochtig is. Let men als inseminator in al zijn werkijver niet op de eventueel aanwezige uiterlijke tochtverschijnselen, dan zal blijken dat men veel vaker dan anders een inseminatie bij een niet-tochtige koe uitvoert. Overigens wijzen lang niet alle uiterlijke tochtigheidsverschijnselen onmiskenbaar op tochtigheid. Er zijn ook vele uiterlijke tochtverschijnselen welke slechts op subtiele wijze kunnen duiden op het bestaan van tochtigheid bij de koe. De bedoeling van deze controle is om al direct de tochtige koeien van de mogelijk niet-tochtige koeien te kunnen discrimineren. Dus reeds voordat men in het bekken van de koe gaat penetreren.

Een van de uiterlijk waar te nemen verschijnselen die op tochtigheid van de koe kan wijzen, is het afvloeien van cervixslijm uit de vulva van de koe. Maar er doen zich meerdere momenten tijdens de tochtigheidscyclus voor waarin er sprake is van slijmafvloeiing uit de vulva. En lang niet alle slijm die uit de vulva van een koe vloeit is echte cervixslijm. Daarom moet men als inseminator bij het waarnemen van dergelijke slijmafvloeiing terdege uitzoeken of het uit de vulva van de koe afvloeiende slijm wel werkelijk cervixslijm is.

Voor men als inseminator besluit om de inseminatie bij de koe te gaan uitvoeren, moet men ook even letten op aanwijzingen in de vulva en het afvloeiende slijm voor het bestaan van een eventuele schedeontsteking en/of baarmoederontsteking. Nu is het gelukkig niet zo dat ieder spoor van pus in de vulva en/of in het afvloeiende slijm de zin voor het uitvoeren van de inseminatie wegneemt. Maar de mate waarin er sporen van die ontstekingen aanwezig zijn, is wel van groot belang voor de vruchtbaarheid van de betreffende koe.

Een controle die men als inseminator ook beslist niet moet vergeten, is de controle van de achterste bekkenbanden van de koe. Als een van de brede bekkenbanden, door verslapping, een zwakke constitutie heeft, is er doorgaans niets aan de hand, maar als beide brede bekkenbanden verslapt zijn, is er meestal sprake van nymphomanie. Om daarover zekerheid te verkrijgen, is het nodig om de ovaria te palperen. Bevindt er zich op die ovaria een grote follikelachtige cyste, dan is het wel zeker dat er bij die koe sprake is van nymphomanie. De inseminatie zal dan doorgaans achterwege kunnen blijven. De veehouder moet van het feit, dat er bij die koe sprake is van nymphomanie, op de hoogte worden gesteld. En men zal de veehouder moeten aanraden de betreffende koe direct in een ander gebouw van de boerderij te gaan huisvesten en om voor die koe een consult van de veterinair dierenarts aan te gaan vragen. Dit laatste heeft slechts zin als de betreffende koe nog niet de verschijnselen van een echte brommer heeft aangenomen. Dat wil zeggen het zo typerende brulgeluid van dergelijke brommers en de stierachtige veranderingen in het uiterlijk van dergelijke koeien. Is er geen cyste op de ovaria van de koe aanwezig, dan is er mogelijk sprake van een permanent aanwezige verslapping van de brede bekkenbanden van de koe, die niets met nymphomanie van doen heeft. Als de veehouder meent dat ook daar geen sprake van is, dan is er in dat geval mogelijk sprake van een op handen zijnde vruchtafdrijving bij de koe.

Nadat men hierna via de anus de penetratie van het bekken van de koe heeft uitgevoerd checkt men of de involutie van de uterus ver genoeg is gevorderd. Blijkt de involutie van de uterus niet ver genoeg gevorderd te zijn, dan zou er sprake kunnen zijn van witvuilen bij de koe. Dat zal men dan wel moeten gaan verifiëren. Het insemineren van een witvuilende koe, met een niet goed geïnvolueerde uterus, heeft alleen zin als de uterus van die koe de daaropvolgende dag door de praktizerende veterinair wordt opgeschoond.

Treft men in het bekken van de koe een goed geïnvolueerde uterus aan, dan moet men vervolgens gaan nalopen of er sprake is van tonus op de uterus van die koe. En als dat het geval is, dan moet men zich ook afvragen of die tonus wel sterk genoeg is om op tochtigheid van de koe te kunnen wijzen. Want alleen bij tochtigheid is sprake van een sterke mate van tonus op de uterus van de koe. De uterus is in feite een grote holle spier. En die spier is ten tijde van de bronst aangespannen. Als deze toestand zich voordoet spreekt men van kramp, ofwel tonus op de uterus. Dit kan men via palpatie van de uterus duidelijk gewaar worden. Want door het aanspannen van de grote holle spier die met het woord uterus wordt omvat, verandert de morfologie van de uterus in sterke mate. De uterus van een koe die in oestrus is, is in typerend sterke mate opgekruld en opgezet. De linkerkant heeft dan, plastisch voorgesteld, de vorm van het vraagteken (uit de schrijftaal) aangenomen. En de vorm van de rechterkant van de uterus is daaraan dan spiegelbeeldig. In het meest gunstige geval is de symmetrie tussen de beide helften van de uterus gelijk. Maar bij dieren die reeds minstens eenmaal drachtig zijn geweest, is dat doorgaans niet het geval. Als de ene uterushelft dan ook iets groter is dan de andere, hoeft dat het drachtig worden van het dier niet te belemmeren.

Als er weinig symmetrie tussen de beide helften van de uterus aanwezig is, zal men als inseminator de uterus van de koe moeten gaan controleren op de eventuele aanwezigheid van de een of andere baarmoederinhoud. In het geval dat de uterus niet voldoende geïnvolueerd is, maar groot en slap aanvoelt, is er allicht sprake van klinische, ofwel subklinische, endometritis. Bij endometritis zijn er ontstekingscellen in de uterus aanwezig. Als men bij palpatie van de uterus een papperige, kneedbare substantie gewaar wordt, zal dat betekenen dat er zich nog pus in de afgesloten uterus van de koe bevindt, een zogenaamde pyometra. Ook kan er sprake zijn van een haematometra, een lochiometra, een mucometra, of een hydrometra. Is de inhoud als een steen zo hard, dan wijst dat op de aanwezigheid van een gemummificeerde vrucht. Maar in de meeste gevallen dat men een baarmoederinhoud gewaar wordt, zal het om de vrucht van een normaal drachtige koe gaan. Een inter-uterine inseminatie moet in deze gevallen achterwege blijven, behalve dan in het geval dat er sprake is van een endometritis welke de dag daarop door de dierenarts wordt behandeld. Als men als inseminator meent dat de te insemineren koe weleens niet tochtig zou kunnen zijn, moet men ten alle tijde zeer voorkomend zijn in het penetreren van de cervix. De cervix van een niet-tochtige koe is nu eenmaal min of meer gesloten. Als men desondanks een passage van de cervix zou gaan forceren, is dat voor de latere vruchtbaarheid van de koe een ongewenste zaak. En bovendien: een niet-tochtige koe loopt na inter-uterine inseminatie vrijwel altijd een baarmoederontsteking op. En als de penetratie van de cervix slechts met zeer veel moeite zou kunnen worden uitgevoerd, vanwege het feit dat de cervix bijna zo goed als hermetisch gesloten blijkt te zijn door de aanwezigheid van een kleverige slijmprop, is het zeker dat er sprake is van een baarmoederinhoud. De penetratie van de cervix moet dan beslist achterwege blijven. Het heeft dan geen enkele zin om de inseminatie alsnog uit te voeren.

Na de partus van de koe moet ook de cervix uteri gaan involueren. Immers de cervix uteri moet na verloop van tijd weer voor afsluiting van de uterus zorgdragen. Als deze ten tijde van de uit te voeren inseminatie qua leeftijd en qua pariteitsfase van de koe nog te groot is, zal men nog niet kunnen spreken van een goed geïnvolueerde cervix. Het involutieproces van de cervix (de cervix uteri) duurt langer dan dat van de uterus zelf. Daarom is de omvang van de cervix min of meer indicatief voor de voortgang van de involutie van het geslachtsapparaat van de koe. Toch kan een nog niet goed geïnvolueerde cervix wel reeds in staat zijn om voor een begin van afsluiting van de voorheen open verbinding met het corpus uteri te zorgen, namelijk door reeds in een vroeg stadium te zorgen voor afsluiting van het ostium internum. Als men als inseminator op het punt staat om de eigenlijke inseminatie bij de koe uit te gaan voeren, heeft men de cervix van de koe in de hand. Op dat moment moet men de omvang van de cervix gaan beoordelen. Als de omvang van de cervix te groot is, duidt dat gegeven niet alleen op een slechte involutie van de uterus van de koe, maar ook op de aanwezigheid van een klinische endometritis. Aan de hand van de omvang van de cervix kan men het bestaan van een dergelijk klinische endometritis discrimineren van het bestaan van een subklinische endometritis, of het aanwezig zijn van de een of andere eerder genoemde baarmoederinhoud. Dit is een zeer belangrijk diagnostisch gegeven.

De inhoud die zich eerst in de afgesloten uterus van de koe bevindt, kan de uterus later soms wel weer via de natuurlijke route verlaten. De koe kan zich zelf dus ook van een pyometra blijken te genezen. Dit gebeurt als het persisterende Corpus Luteum door hormonale oorzaken zijn persisterende functie verliest. Een onvolgroeide vrucht die zich in de uterus bevindt, kan ook op overeenkomende wijze vroegtijdig door de uterus worden afgestoten. Bij een abortus blijkt de cervix echter niet altijd tot afdoende rijping te zijn gekomen. Als dan bijvoorbeeld de diameter van de kop van de af te stoten vrucht (of mummie) groter is dan de wijdte van het cervixkanaal, kan de vrucht deels in de cervix blijven steken. Het grootste deel van de vrucht bevindt zich dan soms reeds in de vagina van de koe. Dit is voor de gezondheid van de koe een erg ongewenste situatie. Daarom moet men als inseminator bij de te insemineren koe ook even via palpatie, vanuit het rectum, gaan onderzoeken of er zich ook een niet goed afgedreven vrucht in de vagina van de koe bevindt. Uiteraard is dat vooral van belang als men bemerkt dat er bij die betreffende koe een abortus moet hebben plaatsgevonden.

Bij de palpatie van de vagina, moet men ook even controleren of er ook een spiraaltje in de vagina van de koe is achtergebleven, na een door een dierenarts ingezette vruchtbaarheidsbehandeling van de koe. Een spiraaltje wat daar op die plaats in het lichaam van de koe kan zijn achtergelaten, valt op door het ribbelige oppervlak van dat spiraaltje. Uiteraard dient men dat spiraaltje, na ontdekking, wel even uit de vagina vandaan te halen.

Bij iedere koe die men als inseminator insemineert, dienen even snel en routinematig de bovenvermelde controles te worden uitgevoerd. Het uitvoeren van deze controles moet een automatisme worden, waar men niet bij hoeft na te denken. Zolang het echter voor een beginnend inseminator nog geen automatisme is, zal deze er behoefte aan hebben om een kort samenvattend lijstje van deze verschillende controles bij zich te hebben. Voor dat doel vermelden wij daarom hier dat lijstje van uit te voeren controles in summiere vorm:

De bovenstaande punten van controle moeten, voorzover nodig, standaard bij iedere inseminatie worden uitgevoerd. In de korte tijd die aan het uitvoeren van een inseminatie kan worden besteed, is dit best een omvangrijke lijst. Maar vanwege het feit dat men dit als inseminator bij iedere inseminatie zal moeten uitvoeren, kan dit op den duur zeer snel worden gedaan. Laat men deze controles, uit het oogpunt van tijdsbesparing na, dan zal blijken dat men veel meer onnodige en/of schadelijke inseminaties bij de koeien verricht. Dit betekent onder andere dat er veel meer niet-tochtige koeien worden geïnsemineerd. Maar ook meer drachtige koeien. Meer koeien met een baarmoederontsteking. Meer koeien met de afwijking nymphomanie. Meer verkeerde koeien. Meer veel te magere koeien. Etcetera! Etcetera!

In de bovenstaande opsomming van punten waarop voorafgaande aan het insemineren van een koe gecontroleerd dient te worden, ontbreken twee belangrijke punten van controle. Allicht zal men zich daarover gaan verwonderen. Dat is ten eerste het onderzoek naar de structuren die op de eierstokken van de koe voorkomen en ten tweede het onderzoek naar eventuele drachtigheid van de koe. "Beide onderzoeken zijn punten van controle die toch beslist wel door een inseminator worden uitgevoerd", zal men kunnen gaan opmerken. Daarom is het van belang dat hier op deze plaats de reden wordt uiteengezet voor het niet opnemen van deze beide punten van controle in de bovenstaande opsomming van controle-punten.

De reden hiervoor is dat in de bovengenoemde lijst van punten waarop gecontroleerd moet worden, slechts die punten opgenomen zijn waaraan men, voorafgaande aan de inseminatie, vrijwel standaard aandacht moet schenken. De punten waarop men als inseminator niet standaard controle hoeft uit te oefenen, staan dus niet in die lijst vermeld. Maar die punten zijn er beslist wel. Aan die punten van controle zal men, voorafgaande aan de eigenlijke inseminatie, alleen aandacht hoeven te schenken in het geval dat de omstandigheden daar om vragen.

Het eerste punt van controle dat men bij de te insemineren koe niet standaard hoeft uit te voeren, is een onderzoek naar de structuren die op de ovaria van de koe voorkomen. Het is niet noodzakelijk, maar ook niet wenselijk, om dit voor iedere inseminatie te doen. Maar in het geval dat men als inseminator op zeker moment niet weet of de te insemineren koe werkelijk tochtig is, of dat ze slechts op de tussentocht zit, zal men kunnen gaan onderzoeken of er zich ook een actief CL (Corpus Luteum) op de ovaria bevindt. Als er zich namelijk werkelijk een dergelijk actief CL op de ovaria van de koe bevindt, is de koe niet tochtig. Als de tussentijd tussen twee opeenvolgende inseminaties anderzijds te kort is (of te lang), zal palpatie van de ovaria ook "licht in de duisternis" kunnen doen schijnen. Is bijvoorbeeld de tussentijd tussen de vorige en de huidige inseminatie om en nabij een maand, dan kan het zijn dat de betreffende koe een lange tochtigheidscyclus heeft, maar de kans is dan groter dat die koe wel een normale cycluslengte heeft, maar dat op het moment van de huidige inseminatie anderhalf maal de duur van de cyclus voorbij is. Het kan zijn dat de koe dan niet echt tochtig is, maar dat er bij die koe sprake is van tussentocht. Maar het kan ook zijn dat de koe dan wel echt tochtig is, maar dat de vorige inseminatie foutief heeft plaatsgevonden op het moment van de tussentocht. Als men aan andere verschijnselen bij die koe op dat moment niet goed gewaar kan worden of de koe wel echt tochtig is, zal men als inseminator genoodzaakt zijn om de ovaria van de koe te palperen. Verder kan een onderzoek naar de structuren die op de ovaria van de koe voorkomen, bijvoorbeeld van belang zijn, als er omstandigheden zijn waarin men verondersteld dat er weleens sprake zou kunnen zijn van een persisterend CL (het persisterend CL is in de gevallen dat er sprake is van een ongewenste baarmoederinhoud vaak kleiner dan het persisterend CL wat bij een drachtige koe op de ovaria aanwezig is en wat wordt aangeduid met de naam:CL graviditatum. Een onderzoek naar de structuren die op de ovaria voorkomen, kan bijvoorbeeld ook van belang zijn als er omstandigheden aanwezig zijn waarin men bij de te insemineren koe een onregelmatigheid meent te constateren waaraan een afwijking aan de ovaria ten grondslag ligt, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de afwijking nymphomanie .

Een punt van controle die men bij de te insemineren koe ook niet standaard hoeft uit te voeren, is de controle naar het wel, of niet, drachtig zijn van die koe. Het komt nogal eens voor dat een veehouder een inseminatie voor een drachtige koe blijkt te hebben aangevraagd. De meeste koeien echter waarvoor de veehouders een inseminatie hebben aangevraagd, zijn overduidelijk niet drachtig. Maar het komt toch ook voor dat wij als inseminatoren die zekerheid op zeker moment niet hebben. En dat wij de noodzaak ervaren om bij die betreffende koe eerst eens te onderzoeken of er bij die koe ook signalen van drachtigheid zijn te ontdekken. Het is onder inseminatoren een bekend gegeven, dat het uitvoeren van een drachtigheidsonderzoek opvallend verstorend werkt op het instandhouden van het goede inseminatiegevoel. Dit valt te vergelijken met een voetballer die tijdens het spel zijn balgevoel kwijt kan raken, als hij op zeker moment opzettelijk niet tegen de bal maar juist tegen de tegenstander gaat trappen. Als inseminator zal men dan ook erg voorkomend moeten omgaan met de neiging om voorafgaande aan de inseminatie een drachtigheidsonderzoek te gaan uitvoeren. Bovendien zal een dergelijk onderzoek hem ook niet altijd een bevredigend antwoord kunnen opleveren. Een drachtigheidsonderzoek dat voor de 42e dag van de vermeende graviditeit wordt uitgevoerd, levert geen duidelijke aanwijzingen op voor drachtigheid van de koe. En ook na de 42e dag van de vermeende graviditeit van de koe, doet men als inseminator niet altijd voldoend betrouwbare bevindingen op bij een dergelijk onderzoek. Soms komt men er echter niet omheen en zal men wel degelijk een drachtigheidsonderzoek moeten gaan uitvoeren, voordat men besluit om de inseminatie uit te gaan voeren. Als men als inseminator door het uitvoeren van een drachtigheidsonderzoek wel degelijk ontdekt dat de betreffende koe drachtig is, kan men echter wel veel schade voor de veehouder voorkomen.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org