KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Het toepassen van de dilatatietechniek bij een moeilijke passage van de baarmoederhals.

Idealiter deponeert men het sperma door de baarmoederhals heen in de interne baarmoedermond. Dat is namelijk de plek in het geslachtapparaat van de koe waarbij men, bij kunstmatige inseminaties van diepvriessperma, de hoogste bevruchtingsresultaten zal weten te bereiken. Daarvoor zal men een volledige passage van het cervixkanaal (canalis cervicis, of endocervix) moeten zien te bereiken.

Maar in de praktijk is dat lang niet in alle gevallen zo gemakkelijk mogelijk te realiseren. En bovendien: het is ook beslist niet verstandig om dat in alle gevallen te proberen. Zou men in alle gevallen rücksichtloos proberen om een volledige passage van het cervixkanaal te realiseren, dan zal blijken dat de bevruchtingsresultaten frappant dalen. Dat moet men dus beslist niet doen!

De kans op inwendige verwondingen is bij een geforceerde cervixpassage betrekkelijk groot. En dat benadeelt de bevruchtingsresultaten veel meer, dan de winst die men boekt bij het uitvoeren van een inseminatie na een volledige cervixpassage. Bovendien: vrij regelmatig is er iets bijzonders met het dier aan de hand. De te insemineren dieren blijken in de praktijk vrij regelmatig niet echt tochtig te zijn. Niet in alle gevallen onderkent men als inseminator dat feit vlug genoeg. En heeft men dan de gewoonte om vrij lang door te gaan in het streven om een volledige passage te realiseren, dan is de kans op andere vruchtbaarheidsschade ook groter.

Als men bij een niet-tochtige koe met de inseminatiepistolet door het cervixkanaal heen gaat, veroorzaakt men meestal een endometritis. En doet men dat bij een koe die reeds drachtig is, dan is de kans op een abortus provocatus groot. Bovendien kan men ook te maken hebben gekregen met een koe met een afwijking aan de geslachtorganen. Ook bij zulke koeien kan men schade toebrengen met een poging om een passage van de cervix te forceren.

Dit alles neemt niet weg, dat er zich toch gevallen kunnen voordoen van dieren waarbij het juist wel is aan te raden om een volledige passage van de cervix na te gaan streven. Dat is namelijk het geval bij pinken die goed cyclisch en goed tochtig zijn, maar die steeds drie weken na de inseminatie weer blijken terug te komen. En waarbij de passage van de cervix steeds niet helemaal volledig blijkt te slagen. Dat doet zich met name dán voor als er sprake is van enige vervetting bij die pinken. De vervetting bij dergelijke guste pinken wijst erop dat het metabolisme bij die pinken om de één of andere reden in disbalans is. Dergelijke pinken zijn dan over het algemeen ook wat kleiner gebleven dan de pinken waarbij dit probleem zich niet heeft voorgedaan. En het rijpen van de uterus, tot een uterus van een normaal vruchtbare koe, zal dan minstens enkele maanden zijn vertraagd. In het begin van de cervix kan dan nog een infantiele stenose aanwezig zijn. Namelijk ter hoogte van de daar aanwezige cervixplooien. Een spoor van infantiliteit bij de te vette pinken manifesteert zich op déze wijze bij de, qua leeftijd, onvolledig afgerijpte pinken. De achtergebleven afrijping bemerkt men dan dus aan de te nauwe cervixdoorgang ter hoogte van de eerste beide cervixplooien. In die gevallen zal het vaak wel blijken te lonen als men iets meer zijn best doet om een volledige cervixpassage te bereiken.

Bij pinken die goed tochtig zijn, blijkt de cervix door de prikkeling van de pistolet die er in aanwezig is, na een tijdje duidelijk wijder te worden. Het kan wel even duren voor die verwijding van het cervixkanaal bij een tochtige pink optreedt. En het zal ook niet in alle gevallen slagen. Maar meestal lukt dit uiteindelijk wel. Soms moet men voor een dergelijke inseminatie wel een minuut of tien uittrekken. Maar het resultaat zal dan vaak verrassend zijn. De diameter van het lumen van de cervix blijkt daaropvolgend soms ineens groter te zijn geworden. En een volledige passage van de cervix is dan ineens wel mogelijk. En heel vaak worden dergelijke pinken dan ook na inseminatie juist wel drachtig.

Er moet dan zeer geduldig en zeer voorzichtig te werk worden gegaan. Opdat men de cervix niet van binnen gaat traumatiseren. Bij de poging om de volledige passage tot stand te brengen, moet men beslist geen grote en constante druk uitoefenen op de pistolet. Het is beter om de cervix te gaan dilatateren door deze van binnen te gaan masseren, namelijk door de pistolet langzaam en voorzichtig in de cervix heen en weer te halen. Men moet zich daarbij realiseren dat de pink die inseminatie, en de poging om de cervix te passeren, als prettig zal moeten ervaren.

In dat geval zal de pink namelijk het hormoon oxytocine gaan afscheiden, wat een verwijding van de cervix tot gevolg heeft. En daardoor zal de cervix vervolgens gemakkelijker kunnen worden gepasseerd. Wanneer er rek wordt uitgeoefend op de wand van het cervixkanaal (canalis cervicis) en/of de wand van de vagina (canalis vaginalis) treedt de zogenaamde Ferguson-reflex op. Deze reflex zorgt er voor dat er oxytocine wordt afgegeven in de bloedbaan van de koe. En dat leidt dan vervolgens onder andere tot een verwijding van het cervixkanaal. Om de afgifte van het hormoon oxytocine in de bloedbaan van de koe te bevorderen kan men ook de cornua uteri zachtjes gaan masseren, want dat blijkt wat dat betreft verrassend effectief te zijn.

Gaat men te ruw te werk, dan kan men de cervix aan de binnenkant verwonden. Vanzelfsprekend heeft dat een negatief effect op het bevruchtingsresultaat. En wanneer men zo ruw te werk gaat dat de pink de betreffende inseminatie als hinderlijk, of als pijnlijk ervaart, dan zal de pink de drie hormonen adrenaline; noradrenaline en cortisol (hydrocortison) kunnen gaan afscheiden. En dat veroorzaakt onder andere dat de cervix zich vernauwt. Onder die omstandigheid kan men een passage van de cervix bij een dergelijke pink wel vergeten. Het feit dat een koe een inseminatie als pijnlijk ervaart, kan men gemakkelijk gewaar worden aan het feit dat zij dan met haar achterpoten tegen de grond schopt.

Ook bij koeien van een hogere pariteit dan pinken, kan men een zelfde effect bereiken als het voorste gedeelte van de cervix iets te nauw is voor een passage van de inseminatiepistolet. Maar dit probleem doet zich lang niet in die mate bij koeien van een hogere pariteit voor, dan bij pinken. De vervetting van het dier welke met dit probleem te maken lijkt te hebben, komt bij koeien die nog niet al te lang geleden hebben afgekalfd, natuurlijk veel minder voor. En vanzelfsprekend zal men bij dergelijke koeien ook geen congenitale afwijkingen aan de cervix aantreffen, die de vruchtbaarheid van die koe in de weg staan. Bij pinken moet men daar wel op verdacht zijn. Guste pinken hebben hun vruchtbaarheid nog niet kunnen aantonen. Daarom moet men bij de inseminatie van pinken altijd rekening houden met congenitale, anatomische afwijkingen aan het geslachtsapparaat.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org