KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Verschijnselen die op subtiele wijze op tochtigheid bij de koe kunnen wijzen.

Met betrekking tot de tochtverschijnselen (tochtigheidsverschijnselen) van een koe kan men onderscheid maken tussen primaire en secundaire tochtverschijnselen. Bij een primair tochtverschijnsel kan men door het gedrag van de koe direct waarnemen dat de koe tochtig is, terwijl men dit bij een secundair tochtverschijnsel slechts zou kunnen afleiden uit sporen die bij de koe zijn achtergelaten, als gevolg van de reactie van een andere koe op een primair tochtverschijnsel bij de betreffende koe. In die zin is bijvoorbeeld de stareflex een primair tochtverschijnsel en de eventuele schuurplekken op het kruis van de "tochtige" koe, zijn dan een voorbeeld van een secundair tochtverschijnsel.

Het is echter handiger om onderscheid te maken tussen de duidelijke tochtverschijnselen en de subtiele tochtverschijnselen. Omdat al de "tochtverschijnselen" die niet onbetwistbaar op tochtigheid van de koe wijzen, dan gemakkelijk in de categorie van de subtiele tochtverschijnselen kunnen worden ondergebracht. Daarbij omzeilt men het probleem dat niet alle betwistbare "tochtverschijnselen" een gevolg zijn van andere (primaire) tochtverschijnselen. Het betwistbare "tochtverschijnsel" waarbij koeien op opvallende wijze blijken te loeien, is bijvoorbeeld geen secundair tochtverschijnsel, maar juist wel een subtiel "tochtverschijnsel". (P.S. Klik voor de duidelijke tochtverschijnslen op de drie volgende links : stareflex, tochtslijm, bespringen).

Als koeien voortdurend op een opvallende wijze loeien, is dat vaak een teken dat die koeien tochtig zijn. Maar regelmatig doen ze dat al reeds in de voortocht van de koe. Een dergelijke koe is dan nog niet echt tochtig. Maar zij geeft daarmee dan wel een signaal af dat haar tocht op handen is. Tijdens de echte tocht blijkt een koe ook wel door te loeien de aandacht op haar tochtigheid te gaan vestigen, maar vaak is dat verschijnsel dan minder expliciet aanwezig dan tijdens de voortocht van de koe. Bovendien blijkt een koe ook tijdens de natocht soms nog wel eens opvallend te loeien. Maar er zijn ook andere redenen waarom koeien zo opvallend kunnen staan te loeien. Bijvoorbeeld: wanneer zij hevige dorst hebben. Een probleem met de drinkwatervoorziening is daar nogal eens debet aan. Ook kan het op een opvallende wijze loeien van koeien te maken hebben met een abortus, die op handen is. Het verschijnsel van het op een opvallende wijze loeien van koeien is door dit alles een niet gemakkelijk te duiden, subtiel, tochtverschijnsel.

De wijze waarop de geslachtgeslachtsorganen van een koe eruit zien (het aspect van de geslachtsorganen) kan een aanwijzing zijn voor tochtigheid van de koe. Tijdens de tocht zien de schaamlippen van de koe er meer opgezwollen en roder uit. En de schedevoorhof, zowel als de vagina van de koe, zien er in die omstandigheid veel vochtiger uit. Maar er zijn andere omstandigheden waarin die feiten zich ook op min of meer vergelijkbare wijze voordoen. Vandaar dat ook dit verschijnsel met recht een subtiel tochtigheidsverschijnsel wordt genoemd.

Eigenlijk zijn ook al de verschillende sporen die de bespringende koe op een besprongen koe pleegt achter te laten, ieder voor zich slechts een subtiel tochtverschijnsel. Dit omdat men met de interpretatie van de oorzaak van al die verschillende sporen flink "de mist zal kunnen ingaan". Voor een dergelijke delusie moet men beslist oppassen bij de tochtigheidswaarneming. De schuurplekken die op het kruis van een koe ontstaan, als zij regelmatig wordt besprongen, duiden meestal wel op de aanwezigheid van tochtigheid bij de besprongen koe, maar helemaal zeker kan men daarover niet zijn. Koeien worden nu eenmaal ook wel eens om andere redenen besprongen. En de oorzaak van schuurplekken op het kruis van een koe, is soms ook gelegen in het feit dat die koe klem heeft gezeten onder een boxafscheiding in een ligboxenstal. Op het haarkleed van de koe die door een andere koe is besprongen zal men verschillende andere sporen kunnen ontdekken. Als de haren van de kruiskam van de koe duidelijk omhoog staan (ter hoogte van de staartinplanting), zou dat er op kunnen wijzen dat die koe door een andere koe is besprongen. Door de borst van die andere koe kunnen die haren immers omhoog zijn gedrukt. Als de haren, die op de beide kruisplaten van de koe voorkomen, in tegenstelling tot bij het voorgaande geval juist plat blijken te zijn gedrukt, zou dat kunnen zijn geschied doordat de bespringende koe op zeker moment weer van die koe is afgegleden. Op de beide flanken van de koe die door een andere koe werd besprongen, kan men ter hoogte van de flankstreek soms ook duidelijke afdrukken ontdekken van de bevuilde klauwen van de voorpoten van de bespringende koe. Maar let op: een tochtige koe bespringt zelf ook wel de andere koeien die in het koppel koeien aanwezig zijn. Zij bespringt ook wel de niet-tochtige koeien. En de sporen die men op een koe meent te ontdekken, kunnen ook wel eens om een andere reden op het haarkleed van de koe zijn ontstaan. Als men dergelijke sporen op een koe ontdekt, heeft men dus slechts te maken met een subtiel teken van tochtigheid.

Als een koe onrustig gedrag vertoont en opvallend nieuwsgierig is, kan ook dat op subtiele wijze op tochtigheid van de koe duiden. Een koe die de mensen, die in de stal aanwezig zijn, opvallend aandachtig bekijkt, kan dit blijken te doen vanwege tochtigheid bij die koe. Een koe die opvallend zoekend ronddoolt in de stal, of in de wei, zal ook vaak tochtig blijken te zijn. Of vaker nog: spoedig tochtig blijken te worden. Als een koe om verder onverklaarbare redenen op mensen die in de stal aanwezig zijn toe komt lopen, blijkt zij vaak tochtig te zijn. Een koe die om onduidelijk redenen frequent haar oren spitst, zou wel eens tochtig kunnen zijn. Sommige veehouders hebben de gewoonte om zeer goed te letten op dit "orenspel" van de koeien. Als koeien andere koeien of mensen, opvallend besnuffelen kan ook dat een subtiel tochtigheidsverschijnsel zijn.

Als een koe haar kin op een andere koe laat rusten is dat ook duidelijk een subtiel teken van tochtigheid van die koe. Kinrusten, zoals men dit noemt, wordt bij tochtige koeien zeer frequent waargenomen. Zo frequent, dat dit gerust als een typerend onderdeel van de tochtigheidssymptomen zou kunnen worden beschouwd, ware het niet dat dit verschijnsel ook buiten de tochtigheid van de koeien om nogal eens kan worden waargenomen. Ditzelfde geldt voor het zogenaamde sniffen. Dat is het hoorbaar en enigszins hortend door de neus ademhalen van de (tochtige) koe bij het ruiken aan de vulva van een andere koe. Bij koeien zal men ook het subtiele tochtigheidsverschijnsel kunnen waarnemen dat zij van tijd tot tijd "hun kop in de lucht gooien". Tochtige koeien zijn vaak ook onrustiger en beweeglijker dan niet-tochtige koeien.

Wanneer een koe andere koeien besnuffelt kan men soms het zogenaamde "flehmen" gewaar worden. Dat is een voor runderen kenmerkende manier van snuffelen, waarbij de ingeademde lucht langs een speciaal orgaan in de neusholte van de koeien wordt geleid. Bij de koe die aan het flehmen is, zijn de hals en het hoofdhalsgewricht gestrekt. De kop van een dergelijke koe ligt dan als het ware in het verlengde van de hals. En haar oren zijn in dat geval naar achteren gelegen; haar onderlip wordt dan door de koe naar onderen gehouden; haar bovenlip krult dan op, haar tanden zijn dan zichtbaar en ze maakt dan soms snuivende geluiden. Het orgaan, waar langs de ingeademde lucht wordt geleid, wordt het Vomeronasaal Orgaan genoemd. Hiermee kunnen copulinen en andere feromonen worden waargenomen. Dit zijn vluchtige vetzuren die ondermeer als lokstoffen functioneren. Al reeds in zeer kleine hoeveelheden zijn ze werkzaam. Omdat feromonen hun effect uitoefenen op de andere leden van een koppel koeien, noemt men ze ecto-hormonen. Dit in tegenstelling tot de endo-hormonen, die op een bepaalde plaats in het lichaam van de koe worden gevormd, en die zich vervolgens in het lichaam van de koe verplaatsen om elders in het lichaam van de koe effect uit te oefenen. Terwijl de endo-hormonen er voor zorgen dat de verschillende functies binnen het lichaam van de koe zo goed mogelijk worden aangestuurd, zorgen de feromonen ervoor dat de individuele koeien binnen het koppel koeien goed samenwerken om het sociale geheel in stand te houden, en zich voortplanten.

In de vagina van een koe bevinden zich melkzuurbacillen en aminen en geen feromonen. Maar in het vestibulum van de vulva, van een tochtige koe, kunnen wel feromonen (in de vorm van copulinen) voorkomen, die afkomstig zijn uit de vestibulaire klieren. Aan dat feit kunnen de andere koeien herkennen dat een bepaalde koe tochtig is. Als een koe andere koeien besnuffelt en daarbij overgaat tot flehmen, is in tegenstelling tot wat bij het kinrusten en sniffen werd aangegeven, vaak niet de koe tochtig die tot besnuffelen is overgegaan, maar juist de andere. Tenminste voorzover die andere koe als reactie op het flehmen, wordt besprongen en daarbij stareflex vertoont.

Een van de subtiele tochtigheidsverschijnselen is verder ook het verschijnsel dat er soms een toename van de agressie bij een tochtige koe aanwezig lijkt te zijn. Die "agressiviteit" kan zich naar de andere koeien in het koppel koeien toe uiten. Maar evengoed ook naar de mensen toe die in een koppel koeien aanwezig zijn. Hier moet men altijd goed op verdacht zijn, omdat dit gedrag mensen in gevaar kan brengen. Hoewel de agressie bij een dergelijke koe groter lijkt te zijn, is dit gedrag niet zozeer gebaseerd op een toename van de lust tot aanvallen bij de koe. Nee integendeel, een tochtige koe is eerder veel aanhankelijker dan een niet-tochtige koe. Het gewijzigde gedrag van de koe, wat zich als een toename van de agressie voordoet aan mensen, is in feite een tijdelijke verandering in de sociale rangorde die een tochtige koe op die wijze afdwingt. Tochtigheid doorbreekt tijdelijk de sociale rangorde onder de koeien.

Wanneer een koe zich, anders dan gewoonlijk, niet door mensen laat verjagen, moet men er dus ook rekening mee houden dat die koe wel eens tochtig zou kunnen zijn. In feite is dat gegeven één van de meest betrouwbare subjectieve tochtverschijnselen die hier staan beschreven. Een probleem hierbij is echter wel dat men het gedrag van de koe wel goed moet kennen om dit op de juiste wijze te kunnen interpreteren. Sommige koeien zijn nu eenmaal dermate mak, dat men veel moeite moet doen om hen te doen besluiten om toch maar enige stappen voor de aanwezige mens op zij te gaan. Dergelijke koeien blijven gewoonlijk rustig staan herkauwen als men vlak bij hun in de buurt komt. Een koe die zich moeilijk laat verjagen, kan dus tochtig zijn. Zij vertoont dan in feite stareflex tegenover de mens. Net zoals zij dit ook tegenover koeien toont. Doet deze situatie zich voor, dan moet men goed opletten. Want er is dan een grote kans aanwezig dat er zich een andere koe in de buurt van die koe bevindt, die de neiging heeft om die eerst genoemde koe te gaan bespringen. Men moet er dan voor zorgen dat men niet zelf door die andere koe wordt besprongen, of door die beide koeien in het nauw wordt gedreven. Is de eerst genoemde koe niet tochtig, terwijl zij wel bij dichte benadering stil blijft staan, dan kan het ook zijn dat die koe dat vanuit agressiviteit doet. Ga die confrontatie dan uit de weg! Want van een agressieve koe kan een mens niet winnen!

Het kan ook voorkomen dat men bij een bepaalde koe waarneemt dat zij haar rug in de lendenstreek laat doorbuigen. Dat is ook een subtiel tochtigheidsverschijnsel. Dat verschijnsel is vooral van waarde wanneer zij dat doet zonder dat men haar in de buurt van haar vulva aanraakt en/of zonder dat men haar staart optilt. Bij aanraking van de clitoris van de koe, evenals bij het optillen van de staart van een koe, is deze reactie namelijk normaal. Dan is dit verschijnsel niet van waarde voor de tochtwaarneming van de koe. In aanbindstallen staan de koeien vaak mooi op een rijtje vastgebonden. Als men in een dergelijke stal een koe opvallend hoort loeien, valt het niet altijd mee om te bepalen om welke koe het gaat. In die situatie zal men de gewoonte kunnen gaan aannemen om na het horen van dat typerende loeigeluid even op te letten welke koe er met haar kruis beweegt. De spieren die koeien gebruiken voor het loeien, beïnvloeden ook de stand van het bekken van de koeien. Hieraan kan men dan de tochtige koe gaan discrimineren van de andere koeien in de stal. Hoewel dit verschijnsel wel degelijk op tochtigheid kan wijzen, is dit duidelijk verschillend aan het verschijnsel dat een tochtige koe de neiging heeft om haar rug spontaan in de lendenstreek te laten doorbuigen.

Veehouders die de koeien op een aanbindstal hebben staan opgestald, maken soms wat de tochtigheidswaarneming betreft, nog gebruik van een ander verschijnsel wat kan duiden op tochtigheid bij de betreffende koe. Namelijk het feit dat bij het liften van de staart van een tochtige koe minder weerstand van de koe zal worden ervaren, dan wanneer men dat doet bij een niet-tochtige koe. Als een koe door een stier op natuurlijke wijze moet worden gedekt, zal de staart "een sta in de weg" zijn. Een koe die onder die omstandigheid niet tochtig is, zal geneigd zijn om onder andere met haar staart de dekking te verhinderen. Maar een tochtige koe zal geneigd zijn om haar staart in de staartwortel te verslappen en om haar staart opzij te houden. Door het gemak waarmee men de staart van de koe zal weten te liften, zou men in principe gewaar kunnen worden of die bepaalde koe wel of niet tochtig is. Maar ook dit is een subtiel tochtverschijnsel, want de individuele verschillen tussen de koeien zijn wat dit betreft nogal groot. Bovendien doet dit verschijnsel zich het sterkst voor wanneer de koe in het geheel niet angstig is voor de persoon die tot de genoemde handeling overgaat. Door de veehouder zelf zal dit verschijnsel daarom doorgaans ook duidelijker kunnen worden waargenomen dan door een ander persoon die een minder hechte band met de betreffende koe heeft. Bovendien moet men deze handeling bij een koe vaak meerdere keren achter elkaar herhalen voor men dit duidelijk genoeg kan waarnemen. De koe is van nature geneigd om, bij de eerste pogingen van de stier om tot dekking te komen, ondermeer met haar staart "de boot nog even af te houden". Voor de kans op bevruchting is dat een uitermate gunstige reactie van de koe. Want als de stier met tussenpozen enkele "vruchteloze" pogingen heeft gedaan, voordat hij tot de eigenlijke dekking overgaat, wordt bereikt dat het sperma vanuit het scrotum tot in de ampullen wordt opgestuwd. Het bevruchtende vermogen van de stier neemt door dit "bedachtzame" optreden van de stier sterk toe. Bovendien neemt daardoor de bereidwilligheid van de koe toe, om te worden gedekt. Die toegenomen bereidwilligheid van de koe uit zich dus onder andere in een verslapping van de spieren die in de staartwortel van die koe voorkomen. Maar let wel: bij nymphomane koeien komt die verslapping in de staartwortel ook voor; en bij een koe die zeer zwaar heeft afgekalfd, blijkt de staart er soms geheel slap bij te hangen ten gevolge van een zenuwbeschadiging welke die koe tijdens het afkalven aan de staartwortel heeft opgelopen.

Als een koe opvallend veel vaker dan anders staat te urineren, kan ook dát gegeven er op wijzen dat die koe wel eens tochtig zou kunnen zijn. Alhoewel dat gegeven vanzelfsprekend, net als bij de mens, ook op een blaasontsteking zou kunnen wijzen. Het zal in de praktijk overigens niet altijd even gemakkelijk zijn om juist dit betreffende symptoom van tochtigheid bij de koe te gaan opmerken. Daarvoor moet men die koe dan wel een tijdlang in betrekkelijke afzondering van de andere koeien kunnen gaan observeren.

Het komt vrij vaak voor dat een veehouder juist tijdens het melken van de koe ontdekt dat die koe wel eens tochtig zou kunnen zijn. Namelijk door het op dat moment geconstateerde feit dat de koe niet, of niet volledig, haar melk laat schieten. Omdat daar ook andere oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen, is ook dit slechts een subtiel tochtverschijnsel. De afgifte door de hypofyse van het hormoon oxytocine, dat onder andere invloed heeft op het laten schieten van de melk, is dan verstoord. Die verstoring werkt ook wel eens averechts. Want soms laten koeien tijdens de tochtigheid, of vaker zelfs nog veel eerder, de melk op een vreemd moment van de dag spontaan schieten. Dus zonder dat men op het punt staat haar te gaan melken. Aan de hand van de afwijkende hoeveelheid melk die een koe bij een melkbeurt produceert, kan men ook gaan vermoeden dat een koe tochtig is. Maar aan de hoeveelheid melk die een koe in een tijdsbestek van 24 uur produceert, is dat feit niet goed af te lezen. De melk die tijdens de ene melkbeurt wordt opgehouden, komt tijdens de volgende melkbeurt vaak weer los. Wanneer de koeien door een melkrobot worden gemolken, kan uit de data van de melkbeurten soms ook blijken dat een bepaalde koe wel eens tochtig zou kunnen zijn. Een tochtige koe brengt namelijk doorgaans minder frequent een bezoek aan de melkrobot.

Door de bepaling van het celgetal in de melk van een individuele koe kan ook een subtiel vermoeden van het voorkomen van tochtigheid bij de koe ontstaan. Namelijk omdat dit celgetal tijdens de tochtigheid van de koe vaak hoger is, dan normaal het geval is. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door het feit dat de koeien de melk tijdens de tochtigheid niet altijd goed laten schieten. Maar als zij dit bij de daarop volgende melkbeurt wel doen, is het voor de hand liggend dat het celgetal in de melk daardoor toeneemt. Een moeilijkheidsfactor hierbij is wel dat dit gegeven bij het optreden van mastitis bij de betreffende koe, erg onbetrouwbaar wordt.

Als een gezonde koe tochtig is, heeft zij ondanks haar goede gezondheid, een lichaamstemperatuur die hoger is dan normaal het geval is. De normale lichaamstemperatuur van koeien is 38,5 °C (± 0,5). Bij een koe kan tijdens de tochtigheid een verhoging van de lichaamstemperatuur worden gemeten van 0,5-0,8 °C. De temperatuursverhoging van een tochtige koe is ook aan de melk van die koe merkbaar. Die temperatuursverhoging bedraagt gemiddeld 0,6 °C. Het leuke hieraan is dat het meten van die temperatuursverhoging geautomatiseerd kan worden. Bij de huidige melkwinningstechnieken is het geen groot probleem meer om dat uit te voeren. Een veehouder kan aldus op simpele wijze een attentielijst krijgen van koeien waarbij tochtigheid zou moeten worden vermoed. Vanzelfsprekend lost dit lang niet alle problemen met de tochtigheidswaarneming bij koeien op, want op die attentielijst zullen ongetwijfeld altijd nog veel koeien voorkomen die om de een of andere andere reden een verhoogde temperatuur hebben. Daarom is het raadzaam om hierbij niet alleen af te gaan op de afwijking in de temperatuur van de melk, maar ook op andere gegevens. Zoals het celgetal van de melk; de eventuele afwijking in de hoeveelheid geproduceerde melk; en de gegevens over de afwijking in het normale patroon van beweging van de koe (door middel van stappentellers). Een geïntegreerd systeem van gegevensverwerking kan op die wijze zorgdragen voor een redelijk betrouwbare, geautomatiseerde tochtigheidswaarneming. Omdat de betreffende temperatuursverhoging te wijten lijkt te zijn aan het vrijkomen van progesteron in het bloed van de koe, zou men in theorie die temperatuursverhoging echter pas na de ovulatie moeten kunnen waarnemen. Dus direct na afloop van de natocht. Op een tijdstip in de cyclus dus waarop de bevruchtingskans snel afneemt. Een koe bij wie een dergelijke temperatuursverhoging wordt gemeten, zou dan ook zo spoedig mogelijk na die meting moeten worden geïnsemineerd. Als daar dan niet goed rekening mee zou worden gehouden, zouden de bevruchtingskansen bij gebruikmaking van slechts deze ene subtiele methode van tochtigheidswaarneming in de praktijk dan ook kunnen blijken tegen te vallen. Wanneer echter blijkt dat de betreffende koe een regelmatige tochtigheidscyclus heeft, zou de informatie over het moment van volgende ovulaties dan van wel van grote waarde kunnen zijn.

Het gegeven dat al de bovengenoemde subjectieve tochtverschijnselen, ieder voor zich, te onbetrouwbaar zijn om aan de hand van die verschijnselen tot de conclusie te komen dat de koe tochtig is, betekent beslist niet dat men ze daarmee aan de kant moet schuiven. Want de grote waarde van deze subjectieve tochtverschijnselen ligt juist in het feit dat men bij gelijktijdige waarneming van een aantal van deze verschijnselen, beslist wel tot een verantwoorde conclusie over de tochtigheid van de betreffende koe kan komen.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org