KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


De stareflex als tochtigheidssignaal.

Als een koe herhaaldelijk blijft staan, terwijl zij door een andere koe of door een stier wordt besprongen, zonder dat zij om de een of andere reden in haar voortgang wordt belemmerd, vertoont zij de zogenaamde stareflex. Dit is een natuurlijke reflex die een guste koe normaliter hooguit één dag in de drie weken vertoont. Door middel van deze reflex maakt zij het voor een stier mogelijk om tot dekking over te gaan. Deze reflex wordt geheel en spontaan door de afgifte van hormonen in de bloedbaan van de koe aangestuurd.

Koeien die stareflex vertonen, zijn normaal gesproken ook echt tochtig. Maar als een koe slechts eenmaal is blijven staan, terwijl ze werd besprongen wil dat nog niet zondermeer zeggen dat zij stareflex heeft vertoond. Het kan immers zijn dat die koe niet in staat was om verder te lopen, of omdat zij dat niet durfde (bijvoorbeeld uit respect voor een andere koe in de groep). En het kan ook zijn dat die koe vanwege de aanwezigheid van schurft op haar kruis, of vanwege schurft tussen haar staart en zitbeenderen, het bespringen worden om die reden als aangenaam ervaart.

Als men met het bovenstaande rekening houdt, zal men bij een koe die echt stareflex blijkt te hebben vertoond, op geen andere symptomen meer hoeven te letten om tot de conclusie te komen dat zij tochtig is. Al de andere tochtigheidssymptomen die men ooit bij koeien meent waar te nemen, moeten minimaal met één enkel ander tochtigheidssymptoom gepaard gaan voor men die vergaande conclusie kan gaan trekken.

Maar welke koe bespringt nu eigenlijk een tochtige koe?...........En waarom doet zij dat? Er zijn vaak veel meer koeien in de stal aanwezig, maar slechts enkele koeien bespringen de tochtige koe. En heel vaak is dat er zelfs maar eentje. Dit feit is zo vreemd, dat men al gauw de neiging heeft te denken dat ook die koe wel tochtig zal moeten zijn. Dit is dan ook een van de redenen dat wij als inseminatoren toch nog regelmatig te maken krijgen met koeien die ons ter inseminatie zijn aangeboden, terwijl ze niet tochtig zijn. Hoe komt het toch dat niet veel meer andere koeien, net als die ene bepaalde koe (of die paar koeien) de tochtige koe ook gaan bespringen?

Eén van de redenen waarom een bepaalde koe lust krijgt om een tochtige koe te bespringen, is omdat zij op een punt in haar cyclus is aangekomen, waarop zij zelf ook bijna tochtig wordt. Op dat punt in de cyclus zal zij nog geen stareflex vertonen, wanneer zij zelf zou worden besprongen. Maar zij heeft op dat moment wel een sterkere neiging om de echt tochtige koe te gaan bespringen.

Het kan ook zijn dat de bespringende koe drachtig is. Vooral tijdens de meer gevorderde drachtigheid hebben koeien een iets versterkte neiging om de tochtige koeien te bespringen. Bij drachtige koeien die dit doen, moet men er overigens wel op verdacht zijn dat zij dan ook wel eens op het punt kunnen staan om te gaan aborteren.

Het kan ook zijn dat er bij de bespringende koe sprake is van "nymphomanie". Als een bepaalde koe op opvallend veel dagen van de partij is bij het bespringen van de andere koeien, is de kans groot dat men met een dergelijke nymphomane koe van doen heeft. Vooral ook wanneer in die situatie haar brede bekkenbanden veel slapper zijn dan normaliter het geval hoort te zijn. Het is overigens lang niet zeker dat de koe die door een nymphomane koe wordt besprongen, ook werkelijk tochtig is. Een nymphomane koe heeft namelijk sterk de neiging om ook de niet-tochtige koeien in de groep te gaan bespringen.

Koeien die een tijd lang een kalf hebben gezoogd en waarvan dat kalf op zeker moment is gespeend, hebben ook een sterkere neiging om de tochtige koeien in de groep te gaan bespringen. Het lijkt er op dat zij dit doen vanuit een soort heimwee naar hun kalf.

In veel gevallen zit de bespringende koe echter op de zogenaamde "de tussentocht". Haar tochtigheidscyclus bevindt zich dan precies midden tussen twee tochtigheden in (dus normaal gesproken op de tiende of elfde dag van de tochtigheidscyclus). Op de eierstokken bevindt zich op dat moment in de cyclus zowel een rijpe follikel, als wel als een Corpus Luteum. Een dergelijke koe kan wel (vaak vrij zwakke) tochtigheidssymptomen vertonen. Door de aanwezigheid van de rijpe follikel worden er immers wel oestrogene hormonen in de bloedbaan van de koe afgescheiden. Maar door de aanwezigheid van een Corpus Luteum op de eierstokken van de koe, is de kans op bevruchting nihil. Ergo: als bij een dergelijke koe een intra-uteriene inseminatie plaatsvindt, is de kans op een succesvolle bevruchting bij de eerste echte tochtigheid, duidelijk verminderd.

Een koe die duidelijk stareflex vertoont is dus doorgaans tochtig. En een koe die de tochtige koe bespringt, is dat meestal niet. Maar tochtige koeien hebben zelf ook de neiging om de eventuele andere tochtige koeien te bespringen. Als er enkele koeien in de groep zijn die springneigingen vertonen, kan het ook zijn dat er geen niet-tochtige koe bij betrokken is. En dat al de koeien die elkaar bespringen dus goed tochtig zijn. Al die koeien afzonderlijk zouden dan, wanneer ze worden besprongen, stareflex dienen te vertonen. Maar ook al let men nog zo goed op de koeien, dan nog wordt de stareflex als tochtigheidsverschijnsel niet bij alle tochtige koeien waargenomen. Dit betekent dat ook koeien waarbij in het geheel geen stareflex aanwezig blijkt te zijn, wel tochtig kunnen zijn. Alhoewel door de aanwezigheid van de andere tochtige koe echter doorgaans de tochtexpressie van de bespringende koe ook veel duidelijker zal zijn. Voor een veehouder is het niet zo eenvoudig om zoveel aandacht aan de koeien te besteden, dat men iedere koe die tochtig is en ook iedere koe die niet-tochtig is in een dergelijk groepje koeien, ook werkelijk als zodanig opmerkt. Hoe onderscheidt men als veehouder, in een dergelijk groepje koeien, zo goed mogelijk de tochtige koeien van de niet-tochtige koeien? Dat is een kernvraag waarop geen eenduidig antwoord kan worden gegeven. In ieder geval is wel zeker dat men hierbij beslist niet teveel op slechts een vermeend tochtigheidssymptoom zal moeten afgaan.

Soms ziet men dat er bij één van de bespringende koeien opengewreven schuurplekken op het kruis aanwezig zijn, net als bij de koe die besprongen wordt. Zulke koeien zijn meestal zelf ook meerdere malen besprongen. Soms ziet men dat de bespringende koe een duidelijk wip met haar bekken blijkt te maken. Een wip, die lijkt op de wip die een stier maakt op het moment van ejaculatie bij een natuurlijke dekking. Soms bemerkt men, als veehouder, dat de bespringende koe zich niet gemakkelijk laat verjagen. Soms ziet men ook dat er een duidelijk sliert tochtslijm van de bespringende koe afloopt. Heeft men minstens één van deze verschijnselen waargenomen bij de koe die de tochtige koe bespringt, dan is de kans groot dat ook die koe tochtig is.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org