KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Het bevruchtend vermogen van de zaadcellen die in de eileider zijn aangekomen.

Voordat de spermatozoa op het traject vanuit de spermacontainer in de ampulla tubae uterinae van het geslachtsapparaat van de koe terechtkomen, kan het bevruchtend vermogen van die spermatozoa door allerhande verschillende oorzaken achteruit gaan. Als inseminator is het belangrijk om zich goed te realiseren aan welke bedreigingen het, door hem in te brengen semen, zoal zou kunnen blootstaan. Want dan zal men van te voren al weten op welke wijze men dient te handelen als zich een van die bedreigingen voor de spermatozoa voordoen.

De volgende opsomming van mogelijke bedreigingen voor de spermatozoa is zo groot, dat men zich als vanzelf gaat verwonderen over het feit dat de koeien meestal toch nog relatief gemakkelijk drachtig worden.

Bedreigingen voor de spermatozoa door temperatuursinvloeden.

De werkcontainer van de inseminator moet voldoende vloeibare stikstof bevatten, om er zeker van te zijn dat de spermarietjes daarin niet de kans krijgen om geheel of gedeeltelijk te ontdooien. Worden hierbij fouten gemaakt, dan is men er niet meer zeker van dat het sperma niet in bevruchtend vermogen achteruit is gegaan (in de praktijk is dit risico niet al te groot, want zolang er zich nog maar enige vloeibare stikstof in de container bevindt, zal er zich ook stikstofdamp in de container blijken te bevinden. En die stikstofdamp is koud genoeg om er voor te zorgen dat het sperma bevroren blijft).

De spermarietjes worden, per stier gesorteerd, in visotubes in de werkcontainer geplaatst. De verschillende visotubes worden vervolgens in zogenaamde spermabekers geplaatst. En die spermabekers worden op hun beurt in zogenaamde canisters in de container opgehangen. Op het moment dat men als inseminator een rietje diepvriessperma uit de werkcontainer vandaan wil halen, moet de canister uit de container omhoog worden gehaald. Idealiter bevindt zich in de spermabeker dan nog zoveel stikstof, dat de spermarietjes niet boven het bovenste stikstofniveau uitkomen. Is dat niet het geval, dan doet zich al gauw de situatie voor dat het bovenste gedeelte van de spermarietjes te warm wordt. Want er is doorgaans weinig of geen stikstofdamp bovenin de spermabeker aanwezig. Met name niet wanneer het spermarietje in de buitenlucht uit de spermacontainer wordt gehaald. Want er staat daar meestal wel zóveel wind, dat de eventueel nog wel aanwezig stikstofdamp binnen de korste keren is verwaaid. Dat feit is een ernstige bedreiging voor het bevruchtend vermogen van de spermatozoa. Temeer omdat een canister met spermarietjes zeer frequent uit de voorraad stikstof, die in de werkcontainer aanwezig is, naar boven moet worden gehaald.

Om dit risico te voorkomen, kan men gebruik maken van hoge spermabekers. Spermabekers die zo hoog zijn dat de spermarietjes volledig met stikstof zijn bedekt. Deze relatief hoge spermabekers hebben echter als nadeel dat de erin aanwezige spermarietjes moeilijker kunnen worden onderscheiden. Zodat men als inseminator deze hoge spermabekers ook liever niet zal willen gaan gebruiken. Gebruikt men als inseminator toch liever de iets lagere spermabekers, dan zal men er terdege op moeten toezien dat men de canisters niet al te hoog uit de container omhoog haalt. In ieder geval niet hoger dan een duimbreedte onder de bovenkant van de nek van de container. Maar hoe omzichtig men hier ook mee te werk gaat, toch zal blijken dat de levensvatbaarheid van het sperma achteruit gaat, naar gelang het aantal keren dat de rietjes met het sperma tot in de nek van de container omhoog worden gehaald.

Als men de benodigde spermarietjes met de vingers uit de spermabeker vandaan haalt, kan men de vingers lelijk branden aan de in de spermabekers aanwezige stikstof. Voor de kwaliteit van het in de rietjes aanwezige sperma heeft het met de vingers beetpakken van de spermarietjes ook zo zijn consequenties. Het sperma in de rietjes zal immers, op de plaats waar men het rietje beetpakt, te warm worden. Deze plaatselijke opwarming van het spermarietje is een duidelijk bedreiging voor de kwaliteit van het sperma. Het ontdooien van het spermarietje moet immers zo snel mogelijk en op egale wijze in een waterbad plaatsvinden. Om deze bedreiging voor de kwaliteit van het sperma uit te sluiten, maakt men dan ook het liefst gebruik van een (grote) roestvrijstalen pincet. Met die pincet haalt men dus het benodigde spermarietje uit de spermabeker vandaan.

Een rietje diepvriessperma moet kort voorafgaande aan de inseminatie, waarbij het sperma uit dat rietje zal worden gebruikt, in zeer korte tijd worden ontdooid. Vanuit de spermacontainer plaatst men daartoe het benodigde spermarietje direct in een waterbad van 28-32 °C. Binnen 15 seconden is het semen dan 223-227 °C warmer geworden (bij de dunne rietjes met een inhoud van ¼ ml). Als het waterbad zich in een kokervormig omhulsel bevindt, waarin het rietje alleen rechtopstaand geplaatst kan worden, is men verzekerd van een egale ontdooiing van het sperma (tenminste voorzover het niveau van het waterbad iets hoger is dan de lengte van het rietje).

Na het ontdooien van het sperma in het rietje, moet men het rietje zien droog te maken. Dit zou men eenvoudig met een doekje of een servetje kunnen doen. Maar men moet daarbij wel opletten dat men het rietje niet gaat bevuilen en/of gaat besmetten en men moet daarbij ook op letten dat men het doekje, of de servet, van tevoren heeft opgewarmd tot 32 °C. En verder moet men er dan op letten dat men het sperma in het rietje niet gaat verwarmen door de wrijvingsenergie die bij het afvegen van het rietje kan worden opgewekt. Deze bedreiging voor het bevruchtend vermogen van de spermatozoa kan men uitsluiten door het water even met een kortdurende snelle beweging van het rietje af te slaan.

Diepvriessperma wat eenmaal is ontdooid, moet daarna niet weer aan een nieuwe koudeshock worden blootgesteld. Want anders zou ook daardoor het bevruchtend vermogen van de spermatozoa achteruit gaan. Als men na het verwijderen van de waterdruppels op het rietje, dit rietje met het erin aanwezige sperma in de pistolet plaatst, moet die pistolet een temperatuur hebben die minimaal gelijk is aan de temperatuur van het ontdooiwater en maximaal aan de temperatuur die er heerst in het geslachtsapparaat van de tochtige koe (39-39,5 °C). Maar omdat men in de praktijk de pistolet, nadat men het spermarietje erin heeft gedaan, niet direkt voor de inseminatie gebruikt, is de net genoemde maximumtemperatuur niet van toepassing. De maximumtemperatuur moet daarom de temperatuur zijn van de plaats waarop men de klaargemaakte pistolet meeneemt naar de koe toe. Om praktische redenen kiest men er als inseminator doorgaans voor om de pistolet daartoe bij de nek langs, op de rug, onder de kleren te steken. Daar onder de kleren is de temperatuur ongeveer 32 °C. Voordat men de pistolet uit de inseminatietas of de inseminatiekoffer haalt, is de temperatuur ervan meestal lager dan de hiervoor genoemde vereiste minimumtemperatuur. Men zou de temperatuur van de pistolet dan kunnen verhogen door deze even op te wrijven. Maar als men dat doet weet men niet hoe hoog de temperatuur precies zal gaan worden. Dat is dus niet een goede methodiek. Liever stopt men hiertoe een tijdje van tevoren reeds de ongevulde pistolet, op dezelfde wijze als de gevulde pistolet, onder de kleren. Op die manier is men ervan verzekerd dat de temperatuur van de ongevulde pistolet juist is. Deze werkwijze brengt echter wel de nodige gevaren met zich mee. Stel immers dat men valt, terwijl men de ongevulde pistolet bij de kleren in op de rug met zich meedraagt, dan kan dat vervelende verwondingen veroorzaken. Daarom is het beter om de pistolet op te gaan warmen in hetzelfde water als wat men voor het ontdooien van het spermarietje gebruikt. Dit kan goed, als men er tenminste maar voor zorgt dat men de pistolet er niet te vlug uit vandaan haalt. En dat men er bovendien voor zorgt dat men na opwarming van de pistolet het water er even met een paar korte, heen en weer gaande, bewegingen afslaat.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan water.

Sperma moet niet in contact met water komen, omdat water een letale invloed op sperma heeft. Water heeft namelijk een voor sperma ongewenste pH. Na het ontdooien van het rietje met sperma in het waterbad, zou er water bij het sperma kunnen komen op het moment dat men het topje van het rietje afknipt. En er zou water bij het sperma kunnen komen als men het rietje nat in de pistolethuls stopt. Het is daarom noodzakelijk dat men er van te voren voor zorgt dat het water van de buitenkant van het rietje wordt verwijderd. Tijdens het ontdooien van het rietje kan er onder bepaalde omstandigheden ook water in het rietje terecht komen. Dat kan onder andere gebeuren als de top van het spermarietje niet goed blijkt te zijn afgesloten. Een dergelijk rietje zal men niet voor de inseminatie moeten gaan gebruiken. Mocht men echter te maken hebben met een rietje met zeldzaam en/of duur sperma, dan zou men in een dergelijk geval schade door het ontdooiwater kunnen voorkomen, door het rietje direct in de pistolet te gaan stoppen. Dus zonder het eerst te gaan ontdooien. Het sperma wordt op deze wijze allicht niet op de meest ideale wijze ontdooit, maar dat is dan in dit geval niet anders. Er kan ook water in het rietje terecht komen als de beide, of een van de beide, katoentjes aan de onderkant van het rietje ontbreken. Het rietje zal in dat geval niet goed in het waterbad ondergedompeld blijken te zijn geweest. Het zal min of meer zijn gaan drijven in het water. Ook een dergelijk rietje zal men, vanwege de grote kans op kwaliteitsvermindering van het sperma, normaal gesproken niet moeten gebruiken. Soms zit er een overlangse scheur in het rietje. Ook dan kan er vanzelfsprekend ontdooiwater binnendringen in het rietje. Een dergelijk rietje zal men nooit voor de inseminatie van de koe moeten gaan gebruiken. Want de kans op spermabeschadiging is dan wel heel groot. En bovendien zal een dergelijk opengescheurd rietje bij de inseminatie kunnen gaan verkreukelen. Nog een andere mogelijkheid waarop het sperma met water in contact komt, doet zich voor wanneer men een speculum ofwel een speciale vaginoscoop voor inwendig gynaecologisch onderzoek gebruikt welke niet, of onvoldoende, van het er eventueel op aanwezige water is ontdaan.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan direct zonlicht.

Zonlicht, en dan met name de ultra-violette stralen in het zonlicht, kunnen de kwaliteit van de spermatozoa sterk aantasten. In het geval dat men het rietje met het ontdooide sperma buiten (achter de auto) reeds in de pistolet doet, is het om de hiervoor genoemde reden van belang dat men er voor zorgt dat men met de rug naar de zon toe staat. Zodat het sperma in het rietje in ieder geval niet door het directe zonlicht zal worden beschenen.Op die wijze zal men kunnen proberen te voorkomen dat deze bedreiging van de spermakwaliteit te grote proporties zal gaan aannemen.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan trillingen of harde schokken.

Het ontdooide sperma moet, net als het geval is bij vers sperma, niet aan harde schokken of trillingen worden blootgesteld. Want ook daardoor zou het bevruchtingsvermogen van de spermatozoa aanzienlijk achteruit kunnen gaan. Waardoor die achteruitgang van het bevruchtingsvermogen precies wordt veroorzaakt, is niet geheel duidelijk. Maar mogelijk komt dat door een vroegtijdige activering van de spermatozoa als gevolg van blootstelling aan die schokken en trillingen. Een harde schok, die de kwaliteit van de spermatozoa zou kunnen aantasten, doet zich in de praktijk met name voor wanneer de gevulde pistolet door het zwiepen met de staart van de koe, vanuit de nek van de inseminator, op de grond wordt gesmeten. In een dergelijk geval doet men er als inseminator verstandig aan om het betreffende spermarietje niet meer te gaan gebruiken voor de inseminatie. Temeer omdat de temperatuur van het sperma onder die omstandigheid ook aanzienlijk zal zijn gedaald. De op de grond gevallen pistolet zal dan onder die omstandigheid ook om hygiënische redenen niet meer verantwoord kunnen worden gebruikt. En bovendien blijkt de top van de huls in die situatie vaak te zijn omgeknikt. Dit laatste feit brengt het gevaar met zich mee dat men accidenteel een vreemd object in het geslachtapparaat van de koe gaat inbrengen. Met de bedreiging van de spermatozoa door trillingen heeft men als inseminator niet veel te maken. Maar men moet zich dan wel realiseren dat men, ter voorkoming van beschadiging van de spermatozoa door trillingen, de pistolet met het ontdooide sperma bijvoorbeeld niet even tijdens het rijden op het dashboard van de auto moet gaan leggen, of later op de roerinstallatie van de melktank.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan een te hoge zuurgraad.

In de vagina (colpos) van de koe zijn normaliter microben (vnl. lactobacillen) aanwezig, die zorgdragen voor het ontstaan van een betrekkelijk zuur vaginamilieu. Door de aanwezigheid van die hoge zuurgraad in de vagina van de koe, zal de ontwikkeling van ongewenste microben, gisten en schimmels worden afgeremd. So far so good! Maar dat zure vaginamilieu is beslist niet geschikt voor de levensduur van de er eventueel in voorkomende spermatozoa. De spermatozoa zijn gebaat bij een vrij lage zuurgraad, een pH namelijk die hoger is dan 7 en lager dan 8 (dus licht alkalisch). Het milieu in de vagina is dus niet zo goed voor de spermatozoa. Dit probleem wordt normaliter ondervangen door het cervixslijm wat tijdens de bronst in de vagina van de koe aanwezig is. Cervixslijm heeft een pH van ongeveer 8. Het semenplasma wat door de prostaat en door de zaadblaasjes bij het sperma wordt gevoegd heeft ook een dergelijk hoge Ph. Door het cervixslijm en het semenplasma van de stier wordt dus bereikt dat de basiciteit voor de spermatozoa op dat moment ter plaatse hoog genoeg is om het normale, zure milieu van de vagina te kunnen weerstaan. De spermatozoa die aanwezig zijn in het ejaculaat van de stier ondervinden in de vagina van de koe ook bescherming tegen het zure milieu doordat het ejaculaat in eerste instantie als een klonter (gecoaguleerd) in de vagina aanwezig is. Door een eiwitsplitsend enzym uit de prostaat decoaguleert het wel betrekkelijk gauw. Maar dan hebben de spermatoa voor een deel reeds de vagina verlaten voor hun reis naar het oviduct (de tuba uterina) .

De koeien worden meestal tijdens de tweede helft van de bronst, of zelfs tijdens de natocht geïnsemineerd. In de tweede helft van de bronst is de hoeveelheid cervixslijm, die in de vagina van de koe voorkomt, al beduidend geringer dan tijdens de eerste helft van de bronst. En tijdens de natocht komt er normaliter vaak zelfs al helemaal geen cervixslijm meer in de vagina voor. De beschermende werking van het cervixslijm tegen het zure milieu van de vagina is op dat moment van de vruchtbaarheidscyclus van de koe dus geringer. In het diepvriessperma, wat tijdens de inseminatie wordt ingebracht, bevindt zich ook relatief minder van het vocht wat afkomstig is uit de prostaat en de zaadblaasjes. Door dat gegeven zullen de spermatozoa in het diepvriessperma minder goed beschermd worden tegen het zure milieu van de vagina. Diepvriessperma is bovendien veel vloeibaarder dan het sperma van het verse ejaculaat van een stier. De spermatozoa van diepvriessperma bevinden zich dus niet in de typerende dikke substantie van het verse ejaculaat. Ook daardoor ondervinden de spermatozoa van diepvriessperma minder bescherming tegen het zure vaginamilieu.

Het is dan ook geen wonder dat uit ervaringen is gebleken dat de kans op bevruchting bij inseminatie met diepvriessperma veel groter is wanneer men dit sperma niet in de vagina van de koe deponeert, maar in de cervix of in het ostium internum. Onder bepaalde omstandigheden lukt het ons als inseminatoren niet om de pistolet bij de ostium externum te krijgen (bijvoorbeeld omdat de doorvoer van de vagina vanwege de aanwezigheid van een tumor wordt belemmerd). In een dergelijk geval kunnen wij niets anders doen dan slechts een vaginale inseminatie uit te gaan voeren. Dat is uiteindelijk niks minder ver in het geslachtsapparaat van de koe dan de plaats waarop een natuurlijk dekkende stier het sperma deponeert. Toch is de ervaring van ons als inseminatoren, dat een dergelijke koe dan van die inseminatie later doorgaans niet blijkt drachtig te zijn geworden. De spermatozoa van het diepvriessperma hebben dan allicht het zure milieu van de vagina niet overleefd.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan de vloeibare uitwerpselen van de koe.

Als de spermatozoa met urine in aanraking komen, zullen zij dat niet overleven. De aanwezigheid van urine is voor de spermatozoa letaal. Maar, zult u misschien vragen, kunnen de spermatozoa überhaupt wel met urine in aanraking komen? De uitmonding van de urinebuis (ostium urethrae externum) ligt immers in de vulva en niet in de vagina. Dat klopt, maar soms komt er door een afwijking helaas wel urine in de vagina terecht. De urine die zich dan in de vagina van de koe ophoopt, wordt na verloop van tijd ook nog eens erg zuur. Als er sperma in die opgehoopte urine in de vagina terecht komt, zullen de spermatozoa dat niet overleven. Bij een natuurlijke dekking zal een dergelijke koe dan ook niet drachtig worden. Om haar wel drachtig te kunnen krijgen, zal die koe voor kunstmatige inseminatie moeten worden aangeboden .

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan bloed.

Voor afgezonderde spermatozoa is sanguis (bloed) letaal. Als de spermatozoa dan ook in direct contact komen met bloed, zal de koe van die spermatozoa niet drachtig worden. Als men waarneemt dat er bij een koe bloed uit de vulva vandaan komt, heeft het meestal geen zin meer om bij die koe een inseminatie uit te voeren. Dat is dan echter niet zozeer omdat dat bloed dan alle spermatozoa zou beschadigen, maar omdat de inseminatie dan zeer waarschijnlijk op een te laat tijdstip zal gaan plaatsvinden. Maar helemaal zeker zal men daar niet van kunnen zijn. Want als er bloed uit de vulva van de koe vandaan komt, wil dat niet altijd zeggen dat die koe aan het afbloeden is. Het bloed wat uit de vulva van de koe vandaan komt, hoeft namelijk niet altijd bloed te zijn wat uit de baarmoeder van de koe vandaan komt. Het kan ook heel goed uit bloedvaten in de introïtus (de schedeopening) vandaan komen, of mogelijk zelfs uit een wond in de vagina, of uit een wond in de cervix, van de koe. Voorzover er sprake is van een intra-uteriene inseminatie, is bloed wat niet uit de uterus van de koe afkomstig is, voor de bevruchting van de koe van geen betekenis. Want de spermatozoa komen er dan niet mee in aanraking, omdat het sperma bij de inseminatie doorgaans in de internal cervical os wordt gedeponeerd. Als het bloed wel uit de baarmoeder vandaan komt, hoeft dit voor de bevruchting van de koe ook nog niet altijd een probleem op te leveren. Namelijk in het geval dat de hoeveelheid van dat bloed zo gering is, dat dit slechts als een spoortje bloed moet worden omschreven. Een dergelijk spoortje bloed is dan doorgaans afkomstig van een gesprongen adertje in de uterus van de koe. En omdat de hoeveelheid bloed dan zo gering is, is er een goede kans aanwezig dat niet alle spermatozoa door dat bloed beschadigd zullen gaan worden.

Voor alle duidelijkheid nog even dit: als een koe één of twee dagen na de inseminatie afbloedt, wil dat niet zeggen dat die koe niet drachtig kan zijn geworden van die inseminatie. De spermatozoa zijn dan niet met dat bloed in aanraking gekomen. En voor het overige is het heel normaal dat een koe op dat tijdstip van de vruchtbaarheidscyclus afbloedt. Dat staat geheel los van de kans op bevruchting na de voorafgaande inseminatie.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan witvuil.

Het feit dat er van de te insemineren koe nog fluor albus (witvuil) afloopt, is veel minder een bedreiging voor de spermatozoa zelf, dan het is voor het drachtig worden van die koe. Ondanks het feit dat een bepaalde koe witvuilt, zal haar bevruchting vaak wel blijken te slagen. Toch is het regeneratievermogen van die koe door het witvuilen dan wel sterk verminderd. Want als de zygote op zeker moment in de uterus van de koe verschijnt, zal deze daar een milieu dienen aan te treffen wat vrij is van ontstekingscellen. Is dat niet het geval, dan is de kans groot dat de implantatie van de conceptus aan de wand van de uterus niet slaagt, of dat het embryo door resorptie, of door afdrijving, verdwijnt. Als de veehouder in de gaten heeft dat er bij de net geïnsemineerde koe sprake is van witvuilen, dan kan deze besluiten om de uterus van de koe de volgende dag door de veterinair te laten opschonen. Heeft dat opschonen eenmaal plaatsgevonden, dan heeft de veehouder een redelijke kans dat de betreffende koe nog drachtig wordt. Toch kan men er beter geen gewoonte van maken om witvuilende koeien te gaan insemineren. Doet men dat wel, dan zal blijken dat men niet alleen vaker dan anders te maken krijgt met onverwachte terugkomers, maar ook dat men vaker te maken krijgt met guste koeien. Het toenemen van het aantal guste koeien als gevolg van witvuilen wordt mede veroorzaakt door het feit dat de cervix bij witvuilende koeien niet altijd open blijft staan. Heeft de cervix zich bij dergelijke koeien eenmaal gesloten, dan hopen de daar aanwezige ontstekingscellen zich in de vorm van etter op in de gesloten uterus. Als er bij koeien etter aanwezig is in een gesloten uterus, spreekt men van een pyometra. Koeien met deze afwijking worden vaak maandenlang niet tochtig. En als dergelijke koeien eenmaal geïnsemineerd zijn, zal men als veehouder denken dat ze drachtig zijn. De veterinair wordt voor dergelijke koeien om die reden dan ook veel te laat te hulp geroepen.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan etter.

Als de spermatozoa in pus (etter) terechtkomen, kunnen die al binnen 15 à 30 minuten blijken te zijn afgebroken. Blijkt de pus bij vaginale inspectie uit de cervix vandaan te komen, dan heeft het daarom meestal geen zin om de betreffende koe te gaan insemineren. Ook al zou men de volgende dag de uterus van de koe door de veterinair laten opschonen, dan vergroot dat de kans niet dat de spermatozoa gezond en wel in het ampulla tubae uterinae terecht komen. Nee, de vruchtbaarheid van die betreffende koe zal door die inseminatie zelfs schade kunnen oplopen. Want als de veehouder na verloop van drie weken niet weer opnieuw tochtigheid bij de betreffende koe waarneemt, dan zal deze gaan aannemen dat die koe drachtig is. Terwijl dat dan allicht niet het geval zal zijn. Als de cervix van de koe zich na de inseminatie volledig sluit, zal de koe zelfs een pyometra kunnen gaan oplopen. De koe zal dan maandenlang niet tochtig blijken te gaan worden.

Als men, in tegenstelling tot het voorgaande, slechts pusafscheiding uit de vulva waarneemt, dan is er meer kans op bevruchting van de koe. Want de kans is groot dat die pus dan niet uit de cervix vandaan komt, maar ergens anders vandaan. Mogelijk heeft de betreffende koe dan een spiraal in gehad, met als doel om de bronst te trachten op te wekken. Of mogelijk is er sprake van de aanwezigheid van een tumor in de vagina, of in de vulva, van de koe. Of er is sprake van een hevige cystitis. Bij de inseminatie wordt het sperma door de cervix heen tot in het ostium internum naar binnen gebracht (een intra-uteriene inseminatie). De spermatozoa lopen in die situatie niet zoveel kans om door het pus te worden beschadigd. Wel zou er enig pus aan de buitenkant van de pistolethuls kunnen blijven kleven, en die pus zou dan vanuit de vulva en de vagina mee naar binnen kunnen worden gebracht. Maar omdat de adhesie tussen het pus en het plastic van de pistolethuls klein is, valt dat vaak wel mee. Tijdens de bronst is bovendien het verdedigingsmechanisme van de uterus tegen vreemde smetstoffen goed ontwikkeld. In de praktijk komt het echter ook nogal eens voor dat er bij een niet-bronstige koe een intra-uteriene inseminatie plaatsvindt. Als er bij een dergelijke koe pus aanwezig is in de vulva of in de vagina, brengt men tijdens de inseminatie smetstoffen naar binnen, waartegen op dat moment in de uterus onvoldoende weerstand aanwezig is. Als bij een volgende bronst opnieuw een inseminatie bij die koe plaatsvindt, zal het bevruchtingsvermogen van de spermatozoa door de endometritis, die dan als gevolg van die eerdere inseminatie in de uterus van de koe aanwezig zal zijn, wel ernstig worden bedreigd.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan wondvocht.

Als er sprake is van een wond in het geslachtsapparaat van de koe, zal de bedreiging voor de spermatozoa niet alleen komen door het bloed wat dan vrij kan komen, maar ook door het exsudaat (ontstekingsvocht), of wondvocht, wat uit die wond in het geslachtapparaat van de koe terecht kan komen. In feite is de bedreiging van de spermatozoa door het wondvocht in dat geval groter, dan de bedreiging van de spermatozoa door het bloed. Het bloed zal immers meestal vrij gauw gaan stollen, terwijl het wondvocht gedurende langere tijd uit de wond vandaan kan komen. Een verwonding in het geslachtsapparaat zal men dan ook als inseminator beslist moeten proberen te voorkomen. Maar meestal wanneer er sprake is van een wond in het geslachtsapparaat van de koe, is die wond reeds aanwezig op het moment dat de koe wordt geïnsemineerd.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan glijmiddel.

De spermatozoa moeten niet met het lubricant (glijmiddel), wat door de inseminator bij het uitvoeren van de inseminatie wordt gebruikt, in aanraking komen. Want het lubricant kan een schadelijke invloed hebben op het bevruchtend vermogen van de spermatozoa. Dat geldt met name ook voor lubricant wat is gemaakt van water en gedroogde glycerine. Dit lubricant heeft als groot nadeel dat het doorgaans veel smetstoffen bevat. Bovendien heeft het een pH-verhogend effect op het vaginaslijm. Door dit laatst genoemde feit zal er na gebruik van dit lubricant minder weerstand tegen infecties in de vagina aanwezig zijn. Als de pH van het lubricant hoger is dan 4,5, zal dat eenzelfde neutraliserend effect hebben op het vagina-milieu als het semen normaal gesproken heeft en het verhoogd daardoor het risico op een inwendige ontsteking van het geslachtsapparaat van de koe. Natuurlijk kan er ter oplossing van deze problemen een desinfectans aan het lubricant worden toegevoegd, maar het nadeel daarvan is dan weer dat het desinfectans ook de nuttige bacteriën in de vagina zal gaan aantasten.

In de tijd dat er door de inseminatoren nog gebruik gemaakt werd van de vaginale inseminatiemethode, werd er vanwege het bovenstaande liever geen gebruik gemaakt van lubricant. Onder normale omstandigheden is dat ook niet nodig, want doordat de koe tijdens de bronst cervixslijm pleegt af te scheiden, is de introïtus glad genoeg om het speculum zonder irritatie bij de koe in de vagina naar binnen te kunnen gaan voeren. Koeien waarbij geen afscheiding van cervixslijm blijkt te hebben plaatsgevonden, zullen normaal gesproken ook niet bronstig zijn. Zodat een inseminatie dan achterwege kan blijven.

Bij de intra-uteriene inseminatiemethode wordt tegenwoordig volop van lubricant gebruik gemaakt. Maar dat levert doorgaans geen groot probleem op, omdat de lubricant daarbij niet wordt gebruikt voor het vergemakkelijken van de passage van de introïtus, maar juist die van de culus. De spermatozoa komen dan ook normaal gesproken niet in een omgeving terecht waar ook lubricant aanwezig is. Maar als een inseminator, voorafgaande aan de inseminatie, de culus van de koe ruimschoots met lubricant insmeert, zal er hiervan ook een bepaalde hoeveelheid op het vestibulum van de koe terechtkomen. Dat zal men dan daarna, samen met het eventueel daar aanwezige vuil, met een papieren servet dienen te verwijderen. Doet men dat niet, of niet grondig genoeg, dan is het mogelijk dat een deel van dat lubricant in de vagina, of zelfs in de uterus, van de koe terecht komt.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan desinfectiemiddelen.

De kans dat de spermatozoa bij het uitvoeren van een artificiële inseminatie met desinfectantia in aanraking komen, is niet echt groot. Niettemin komt het wel voor en het is dan ook zeker een potentiële bedreiging voor de spermatozoa. Wij hebben hierboven al het feit genoemd dat er aan lubricant wel desinfectans wordt toegevoegd. De spermatozoa kunnen daardoor vanzelfsprekend schade oplopen. Maar in de praktijk, waarbij de inseminaties meestal door ervaren inseminatoren worden uitgevoerd, zal dat risico wel meevallen. Een andere mogelijkheid waarbij spermatozoa met desinfecterende stoffen in aanraking kunnen komen, is aanwezig wanneer de uterus van de koeien kort voor de inseminatie is opgeschoond.

Bedreigingen voor de spermatozoa door blootstelling aan de vaste uitwerpselen van de koe.

Op de vulva van de koe kunnen resten voorkomen van faeces (de vaste uitwerpselen). Als inseminator dient men er, voorafgaande aan de penetratie van het geslachtapparaat van de koe, voor te zorgen dat die faeces in voldoende mate worden weggeveegd. Anders in men niet in staat om de pistolet voldoende hygiënisch bij de koe naar binnen te gaan voeren. Er zou dan, tijdens het uitvoeren van de inseminatie, faeces in het geslachtsapparaat van de koe terecht kunnen komen. Soms wordt ons als inseminatoren een koe ter inseminatie aangeboden waarbij sprake is van de congenitale afwijking die cloaca wordt genoemd. Bij die betreffende afwijking is er vaak een aanzienlijke hoeveelheid faeces in de vagina van de koe aanwezig. In de tijd dat de cervix van de koe niet gesloten is, kan die faeces ook in de uterus van die koe terechtkomen. Dat is eveneens een bedreiging voor de overlevingskansen en het bevruchtend vermogen van de spermatozoa.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org