KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Gevallen waarin er een plas urine in de schede van de koe blijft staan.

Vrij regelmatig krijgt men als inseminator te maken met een koe waarbij er urine in de schede blijkt voor te komen. Voor een optimale vruchtbaarheid van die koe is dat een zeer onwenselijke zaak. In de dagelijkse praktijk duidt men deze afwijking aan met de term "schedeverzakking". Maar deze term is niet helemaal correct. Als men het in een dergelijk geval over een schedeverzakking heeft, suggereert men namelijk dat de oorzaak in alle gevallen een verzakking van de perivaginale steunweefsels van de schedewand betreft. En dat is niet juist. Dit verschijnsel doet zich namelijk ook voor bij bepaalde abnormaliteiten in de bouw van het bekken van de koe. Vandaar dat men beter de officiële term "urovagina" kan aanhouden.

Een urovagina kan ontstaan als gevolg van het feit dat een koe drachtig is geweest van een erg zwaar kalf. De schedewand verslapt dan soms, waardoor er een holte in de schede ontstaat. In die holte kan zich dan onder bepaalde omstandigheden urine gaan ophopen. Dit is het verschijnsel waarvoor men terecht de term schedeverzakking specifiek zou kunnen gebruiken. Bij een koe die niet heeft afgekalfd, of die niet al te zwaar heeft afgekalfd, maar die een dusdanige bouw heeft dat er zich ook gemakkelijk urine ophoopt in de schede, hoort men in feite niet te spreken van "schedeverzakking". Met de term urovagina zit men dus in beide gevallen goed.

Bij een koe met de afwijking urovagina blijft er niet alleen urine in de vagina staan, maar ook enig vocht wat afkomstig is van het geslachtsapparaat van de koe. Dit vocht wat in de schede van de koe achterblijft, ziet er dan ook niet echt uit als urine. Het ziet er juist wat meer slijmig en vies geel uit. En de geur van dit vocht is onaangenaam. Dit vocht is vaak ook nog vermengd met ontstekingsproducten. En dit alles vormt dan een zurig geheel in de schede, wat erg nadelig is voor de vruchtbaarheid van de koe. De normale zuurgraad van het schedevocht beweegt zich tussen de pH-waarden 3,8 en 4,5. In dit geval zal de pH-waarde flink lager kunnen zijn.

Voor een inseminator is het zaak, om te trachten dat zurige vocht voorafgaande aan de inseminatie zoveel mogelijk uit de vagina van de koe weg te persen. Dit kan hij doen, door vanuit de endeldarm de cervix iets op te tillen en door deze vervolgens naar zich toe te gaan trekken. En door een achterwaarts gerichte strijkende beweging, vanuit de endeldarm, over de vagina te maken. Het vocht gutst dan uit de vagina van de koe. Als hij dit nalaat, zal de koe waarschijnlijk niet drachtig worden. Immers de kans dat er dan tijdens de inseminatie iets van dat vocht in de cavum uteri terecht komt (contaminatie), is vrij groot. Probeert een veehouder om een dergelijke koe via natuurlijke dekking drachtig te krijgen, dan zal dit veel vaker op een teleurstelling blijken uit te lopen dan wanneer hij die koe via kunstmatige inseminatie probeert drachtig te krijgen. Het alkalische sperma komt bij een natuurlijke dekking immers voor een aanzienlijk deel in het zurige vocht terecht, wat zich in de schede heeft opgehoopt. Een ander deel van het sperma zal allicht, samen met dat zurige schedevocht, door de peristaltische zuigbeweging van de cervix tijdens de dekking, in de cervix en in de baarmoeder terecht komen. Het deel van het sperma wat in de cervix en/of in de uterus van de koe terecht komt, zal door dat binnengekomen schedevocht ook worden beschadigd. Een natuurlijke dekking zal daarom geen oplossing blijken te kunnen bieden voor dit probleem.

Op de wat langere duur zal dit probleem bij die koe overigens wel minder groot blijken te gaan worden. Dit is afhankelijk van de mate waarin de baarmoeder van de koe na het afkalven weet te involueren. De involutie verloopt bij een koe met een dergelijk afwijking, door het ontstekingsproces in de schede, vanzelfsprekend veel langzamer dan normaal. Het valt gemakkelijk in te zien dat een wel goed geïnvolueerde baarmoeder het probleem van de "urovagina" doet verkleinen. In dat geval zal de schedewand immers minder worden uitgerekt.

Veelal ontdekt men vrij laat dat de koe die men wil gaan insemineren een urovagina heeft. Namelijk pas tijdens de inseminatie. En dan kan er vrij gemakkelijk iets van dat zurige vocht in de baarmoeder terecht komen. Bij de meest gebruikelijke en juiste wijze van insemineren, is de kans groot dat er iets van dat zure vocht in de baarmoeder van de koe terecht komt. Hierbij duwt men immers de cervix, voorafgaand aan de eigenlijke inseminatie, eerst flink van zich af (richting de kop van de koe). Voor een inseminator is de kans, bij deze meest gebruikelijk en juiste wijze van insemineren, ook veel kleiner dat men deze afwijking ontdekt dan die is bij die wijze van insemineren waarbij men de cervix naar zich toe trekt en waarbij men deze vanuit die positie over de pistolet heen manipuleert. Dan perst men het schedevocht immers reeds gedeeltelijk uit de schede vandaan. Eigenlijk zou men voorafgaande aan de inseminatie er al van op de hoogte moeten zijn dat de koe een urovagina heeft, opdat men zou kunnen proberen om dat vocht er direct zoveel mogelijk uit te drukken. Bijvoorbeeld door vanuit de endeldarm over de schede van de koe, in de richting van de anus van de koe, heen te gaan strijken. Soms licht de veehouder de inseminator er keurig over in dat de koe een urovagina heeft. Maar als dat niet het geval is, hoe zou men dan voorafgaande aan de inseminatie eigenlijk al kunnen gaan vermoeden dat de betreffende koe behept is met een schedeverzakking?

Men zal dan aan de volgende punten goed aandacht moeten schenken voor men met het uitvoeren van de eigenlijke inseminatie begint:

  1. als een koe een naar achteren oplopende kruisligging heeft, is de kans vergroot dat zich urine in haar schede ophoopt. Zulke koeien kalven meestal zwaarder af en dat feit op zich heeft ook al een grotere kans tengevolge dat het bovenstaande probleem zich zal gaan voordoen.
  2. wanneer men bij een koe ontdekt dat, van opzij gezien, het bekken naar voren is gekanteld, is de kans ook groter dat die koe behept is met een urovagina.
  3. in het geval dat de vulva van de koe niet een vrijwel verticale, maar een meer horizontale (gekantelde) stand aanneemt, is er allicht ook sprake van een urovagina.
  4. als blijkt dat de vulva van de koe flink beschadigd is, kan de vagina van de koe onder bepaalde omstandigheden door urine worden gecontamineerd. Vaak is een beschadigde vulva een gevolg van een zware verlossing. Maar het komt ook voor dat dit is ontstaan ten gevolge van een hondenbeet.
  5. wanneer de koekoeksgaten tussen de inplanting van de staart en de zitbenen van de koe vrij groot zijn, wijst dit ook op een vergrote kans op het bestaan van een urovagina bij die koe.
  6. als een koe veelvuldig staat te persen en als daarbij dan steeds een beetje urine-achtig schedevocht naar buiten komt, is de kans ook groot dat die afwijking zich voordoet.
  7. wanneer de haren, die zich bij een koe onderaan de onderste vulvahoek bevinden, bruin en vochtig zijn, is de kans op een urovagina ook veel groter. De haren onderaan de vulvahoek zien er door frequent urineren namelijk vaak dusdanig bruin en vochtig uit.

De vruchtbaarheid van koeien met een urovagina is niet alleen slechter door het voor het sperma zo nadelige milieu, wat zich als gevolg hiervan in het geslachtsapparaat van de koe voordoet. Dat is ook een gevolg van de ontstekingen waar een dergelijke urovagina meestal mee gepaard gaat. Dit ontstekingsproces en de slechte involutie van de baarmoeder kan de veehouder proberen te verbeteren door de dierenarts te vragen om de baarmoeder van die koe op te gaan schonen. Na verloop van verscheidene maanden ziet men overigens vaak ook wel een spontane verbetering, of een spontaan herstel, van deze afwijking optreden.

Heeft men als inseminator in de gaten dat de te insemineren koe behept is met een urovagina, dan moet men allereerst proberen zoveel mogelijk van dat voor de bevruchting zo schadelijke vocht, vanuit de endeldarm, uit de vagina van de koe vandaan te strijken. (Hierbij moet men wel goed oppassen. Want de kans is daarbij wel vrij groot dat men dat zurige en vies ruikende vocht over zich heen krijgt). Als het meeste vocht uit de vagina van de koe lijkt te zijn weggestreken, zal men kunnen overgaan tot het uitvoeren van de eigenlijke inseminatiehandeling. Maar dat dient dan niet op de gebruikelijk wijze te gebeuren, namelijk door de cervix naar voren te duwen. Nee, in dit geval kan men beter de cervix iets naar achteren trekken. En als men daarna de pistolet de vagina heeft ingevoerd, manipuleert men de cervix over de pistolet heen, zonder de cervix eerst weer naar voren te verplaatsen. Op deze wijze is de kans namelijk het kleinst dat het eventuele, nog achtergebleven vocht, in de uterus van de koe terecht komt.

Indien men deze werkwijze goed uitvoert, zal een koe met een urovagina verrassend gemakkelijker drachtig blijken te worden, dan wanneer men niet aldus te werk zou gaan. Mocht de uterus nog niet in voldoende mate zijn geïnvolueerd, dan is het echter wel verstandig de veehouder te adviseren om eerst een veterinair voor die koe te gaan consulteren. Als de veterinair besluit de uterus van die koe te gaan opschonen, is de kans op bevruchting later nog des te groter. Na het opschonen zal de uterus van die koe gemakkelijker gaan involueren. En dat heeft tot gevolg dat de afwijking "urovagina" later ook minder expliciet aanwezig zal blijken te zijn.

Er is een vervelende bijkomstigheid in het geval bovengenoemde afwijking zich bij een koe voordoet. Dat betreft het feit dat men bij een dergelijke koe een belangrijk tochtigheidssignaal zal ontberen. Het cervixslijm, oftewel tochtslijm, dat de koe afscheidt, zal nu niet als zodanig kunnen worden waargenomen. Dit cervixslijm vermengt zich in de vagina met de daar achtergebleven urine. Het waarnemen van dit voor de tochtigheid van een koe zo typerende slijm, zal bij een dergelijke koe niet plaats hebben. Dat maakt de tochtigheidswaarneming bij een dergelijke koe veel lastiger. Men hoeft overigens ook niet al te veel haast te maken met het waarnemen van tochtigheid bij een koe met deze afwijking. Want hoe meer tijd er na het afkalven van de koe is verstreken eer men tot inseminatie van die koe overgaat, hoe groter de kans is dat dit probleem zich bij die koe zal gaan minimaliseren.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org