KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
the PARENT HOME PAGE
and SITE SEARCHING

Normale en abnormale vaginale uitvloeiing bij koeien.

Als veehouder zal men zeker ook moeten letten op de aard van de vaginale uitvloeiing van de koeien. Daarbij is het van belang te weten welke uitvloeiing bij de koeien als normaal en welke als abnormaal moet worden beschouwd. Verder zal men vooral ook moeten weten in welke gevallen van abnormale uitvloeiing het verstandig is om veterinaire hulp in te schakelen.

Als de uitvloeiing chocolade-kleurig en vrij dun is en als deze bovendien onfris ruikt, is er sprake van een lochiometra. Men zal dan niet moeten wachten met het consulteren van een dierenarts. Want de koe heeft dan een vorm van acute baarmoederontsteking, die levensbedreigend voor het dier kan zijn. Veterinaire hulp is dan beslist noodzakelijk. Een dergelijk signaal van acute baarmoederontsteking zal door een veehouder doorgaans gemakkelijk worden onderkend. Dat is niet het geval wanneer er slechts sprake is van een slijmerige uitvloeiing, die in de verste verte niet lijkt op cervixslijm. Ook die vorm van uitvloeiing wijst op het bestaan van acute baarmoederontsteking, waarvoor het inroepen van veterinaire hulp verstandig is. Is er echter sprake van waterig en glashelder slijm, wat in een aanzienlijke hoeveelheid naar buiten vloeit, dan is de situatie minder ernstig. Er is dan nog wel sprake van acute baarmoederontsteking, maar deze bevindt zich dan in een ver gevorderd stadium van genezing. Als de koe in die omstandigheid tochtigheidsverschijnselen blijkt te vertonen, dan is het laten uitvoeren van een inseminatie nog niet verstandig. Men kan daarmee dan beter wachten tot de koe opnieuw tochtig wordt. Als er sprake is van de uitvloeiing van een kleine hoeveelheid helder slijm, wat even vloeibaar lijkt te zijn als water, dan wordt die koe mogelijk over 4 dagen tochtig. Op D17 gaat het corpus luteum normaliter in regressie bij een niet-drachtige koe. En dat heeft onder andere tot gevolg dat er soms enig waterig slijm uit de vulva naar buiten vloeit.

Is er sprake van witte, of wit/gele, vaginale uitvloeiing, ook als de koe niet in oestrus is, dan heeft men doorgaans te doen met een zogenaamde witvuiler. Bij een witvuiler is sprake van een chronische vorm van baarmoederontsteking. Als veehouder zal men ter bevordering van de vruchtbaarheid van een dergelijke koe, er verstandig aan doen om een consult van de dierenarts aan te vragen. De baarmoeder van de koe zal dan door de dierenarts kunnen worden opgeschoond. Als dit een of twee etmalen na een eventuele inseminatie wordt uitgevoerd, is er ook nog een kleine kans dat de betreffende koe drachtig wordt van die inseminatie. Laat men een koe die aan een baarmoederontsteking lijdt, na een inseminatie niet opschonen, dan zal de bevruchting bij die koe vaak wel slagen. Echter de kans op vroeg embryonale sterfte is dan wel veel groter. Het percentage embryonale sterfte bij koeien wordt overigens in het algemeen sterk onderschat. In feite "smeert men zich zand in de ogen, als men een koe die aan een baarmoederontsteking lijdt wel laat insemineren en vervolgens niet laat opschonen". Een veehouder doet er in het algemeen niet erg verstandig aan om dit soort koeien, ondanks hun kwaal, op dat moment wel te laten insemineren. Ook vanwege de extra kosten van de veterinaire behandeling. Als de koe meer tijd zou worden gegund om van zijn kwaal te genezen, zouden die kosten niet te hoeven worden gemaakt. Als het embryo in een baarmoeder terecht blijkt te zijn gekomen waarin nog sprake is van een aanwezige baarmoederontsteking, zal het deze situatie allicht niet overleven. Deze vroeg-embryonale sterfte resulteert vervolgens vaak in een zogenaamde onregelmatige tochtigheid op ongeveer de 30e dag na de vorige tochtigheid. Baarmoederontsteking is overigens niet de enige mogelijke oorzaak van vroeg-embryonale sterfte. Andere bekende oorzaken hiervoor zijn de aanwezigheid van genetische afwijkingen bij het embryo en de aanwezigheid van infectieziekten bij de koe.

Bij waarneming van etterige vaginale uitvloeiing zal overigens niet altijd sprake zijn van een baarmoederontsteking. Er zou dan ook sprake kunnen zijn van een schedeontsteking, een blaasontsteking, een nierontsteking, of een doorgebroken abces. Verder kan bij lijfbiedende koeien ook enige etterige uitvloeiing worden waargenomen, evenals bij koeien die een verwonding aan het geslachtsapparaat hebben opgelopen. Verder kan dit zich ook voordoen bij bepaalde dekziekten van koeien (m.n. bij de dekziekte Trichomonas foetus). Een laatste mogelijke oorzaak van het ontstaan van dit soort problemen is gelegen in de contactbesmettingen die koeien vaak in de stal oplopen waarin ze gehuisvest zijn. De balk die zich soms als achterrand in de ligboxen van de koeien bevindt, is wat dat betreft vaak een onvermoede oorzaak. Met deze overige oorzaken van etterige uitvloeiing rekening houdende, moet men echter niet onderschatten hoe frequent een baarmoederontsteking op het gemiddelde rundveebedrijf voorkomt. Bij inwendige inspectie met een speculum, of met een speciale vaginoscope, wordt men namelijk veel vaker cervicale dan vaginale uitvloeiing gewaar.

Treft men bij een tochtige koe een vaginale uitvloeiing aan van cervixslijm met ettervlokjes, dan wijst dit er op dat de genezing van de baarmoeder zich in een vergevorderd stadium bevindt. Met de eventuele inseminatie zou men dan nog beter even kunnen wachten, maar normaliter hoeft er dan geen veterinaire hulp te worden ingeschakeld. Voor de genezing van de koe, is dan geen veterinaire behandeling noodzakelijk. Tenminste voorzover men de koe op dat moment werkelijk niet insemineert. Doet men dat wel, dan is een intra-uteriene behandeling van de koe, door de veterinair dierenarts, wel verstandig. Maar moet de veterinair dierenarts hier pas een dag na de inseminatie worden geconsulteerd. De spermatozoa moet immers de kans kunnen krijgen om voor de intra-uteriene behandeling door de dierenarts in de eileider van de koe aan te komen.

Bestaat de vaginale uitvloeiing uit betrekkelijk veel glashelder slijm waarvan men tussen de duim en een vinger van zijn hand gemakkelijk een draad kan trekken, dan heeft men te maken met cervixslijm, ofwel tochtslijm. Dat is geen abnormale vaginale uitvloeiing, omdat dat normaliter eens in de drie weken tijdens de bronstperiode vanuit de vagina door de vulva naar buiten komt. Tijdens de zogenaamde tussentocht vloeit er vaak ook enig slijm, wat aan tochtslijm doet denken, door de vulva naar buiten. Van dat slijm kan men echter niet goed draden trekken tussen de vingers van zijn hand. En de hoeveelheid van dat slijm is meestal ook geringer.

Bij koeien waarbij er zich meer dan een rijpe follikel op de ovaria bevindt, is de vaginale uitvloeiing van cervixslijm vaak groter dan normaal het geval is. Van het cervixslijm zal men dan gemakkelijk draden kunnen trekken. Dit is ook het geval als de follikel, die zich op de ovaria bevindt, iets groter is dan normaliter het geval is. Er is dan geen sprake van een afwijkende situatie. Veterinaire hulp kan dan ook afwezig blijven. Bij die cysteuze koeien die duidelijk nymphomaan zijn, is de hoeveelheid afvloeiend vaginaal slijm ook groter dan normaal het geval is. De slijmsliert kan dan soms wel een paar centimeters dik zijn. In dat geval zal de slijmsliert niet voldoende dradentrekkend van aard zijn. Ook als er in dat geval geen sprake is van een acute baarmoederontsteking, is het wel raadzaam om voor een dergelijke koe veterinaire hulp in te schakelen. Door de aanwezigheid van een of meer cystes op de eierstokken is de vruchtbaarheid van die koe op dat moment zo slecht, dat dit een behandeling door een dierenarts noodzakelijk maakt.

Wanneer er een relatief grote hoeveelheid slijmerig vocht uit de vagina van de koe naar buiten vloeit, kan dit ook weleens te maken hebben met een abortus. Hier moet vooral rekening mee worden gehouden als dit slijmerige vocht geen etterige substantie bevat en toch beslist niet glashelder is en als dit bovendien niet dradentrekkend van aard is. Koeien die op het punt staan te aborteren van een vruchtje, maar ook koeien waarbij de abortus kort tevoren heeft plaatsgevonden, worden nogal eens foutief voor inseminatie aangeboden. Dit komt omdat de uiterlijke verschijnselen, die bij een aborterende koe kunnen worden waargenomen, enigszins lijken op de verschijnselen waarmee de tochtigheid bij koeien gepaard gaat. Het gaat dan niet alleen om het feit dat ook aborterende koeien net zo opvallend blijken te loeien als tochtige koeien, maar bijvoorbeeld ook om het slijm wat bij dergelijke koeien uit de vagina vloeit. Bovendien vertonen aborterende koeien vaak onrustig gedrag, hetgeen ook enigszins lijkt op het gedrag wat bij tochtige koeien kan worden waargenomen.

Als er vocht uit de vagina vloeit wat geel/bruin van kleur is en als dat vocht bovendien zurig ruikt, dan is er sprake van een urovagina. Voorafgaand aan de inseminatie zal de inseminator dan al dat vocht uit de vagina naar buiten moeten zien te drijven. Omdat anders dit vocht voor een deel tijdens de inseminatie in het cavum uteri terecht zal komen. Mocht deze afwijking zich in vrij ernstige mate voordoen, dan kan men overwegen om voor een dergelijke koe ook een consult van de dierenarts aan te vragen. Deze zal dan mogelijk door middel van een hormooninjectie zorgen voor een snellere opkrimping van de baarmoeder van die koe. Bij een goed opgekrompen baarmoeder zal het probleem "urovagina" zich namelijk minder uitgesproken voordoen.

Ongeveer twee of drie dagen na de tochtigheid van de koe zal er bloed uit de vulva van de koe kunnen vloeien. Is dat het geval, dan is dat een normaal verschijnsel, dat er op wijst dat de koe tochtig is geweest. Het feit dat een koe afbloedt, betekent niet dat de eventuele voorafgaande dekking of de eventuele voorafgaande inseminatie niet tot drachtigheid van de koe zou kunnen gaan leiden. Dat staat er geheel los van. Het bloed zal in eerste instantie helrood van kleur zijn. Maar niet lang daarna zal dit donkerrood van kleur zijn. Aan de uitvloeiing van bloed, kan men dus het moment van tochtigheid min of meer gaan terugrekenen.

Als er bij een te insemineren koe geen uitvloeiing van bloed aanwezig is, maar wel van een andere rode substantie, dan is de baarmoeder van die koe (ter bestrijding van baarmoederontsteking) door de dierenarts opgeschoond met een jodium bevattend desinfectiemiddel. Hiervoor wordt een middel gebruikt dat bekend is onder de merknaam Lugol. Dit middel wordt door de dierenartsen niet gebruikt als de betreffende koe nog niet langer dan vier weken daarvoor blijkt te hebben afgekalfd en/of ziek is. Het uitvoeren van een inseminatie bij een koe waarbij dit middel via de vulva naar buiten komt, is om vanzelfsprekende redenen niet zinvol. In een dergelijke geval is er mogelijk iets mis gegaan in de communicatie tussen de dierenarts en de betreffende veehouder. Want anders zou de betreffende veehouder die koe allicht niet voor inseminatie hebben aangeboden.

Komt er waterig vocht uit de vagina van de koe vandaan wat niet geel/bruin, maar veel meer grijs-grauw tot zwart van kleur is, dan heeft men mogelijk te doen met ontstekingsvocht wat uit een wond in de wand van de vagina of van de cervix afkomstig is. Dergelijke verwondingen kunnen bijvoorbeeld bij het afkalven, c.q. de verlossing, zijn ontstaan. Maar het zou ook kunnen zijn dat dergelijke verwondingen van de inwendige delen van het geslachtsapparaat zijn ontstaan door de inbrenging van een zogenaamde PRID-spiraal in de vagina van de koe. Als het aanwezige vocht vrij helder van karakter is, kan het ook gaan om lochiën dat geleidelijk minder sanguinolent en meer sereus is geworden. Als inseminator kan men in een dergelijk geval slechts trachten dit vocht zoveel mogelijk uit de vagina van de koe vandaan te persen. Dit om te voorkomen dat dit vocht tijdens de inseminatie in het cavum uteri terecht zou kunnen komen. Verwondigingen aan het achterste deel van het geslachtsapparaat zullen de bevruchting van de koe overigens niet erg hinderen. Maar men dient zich wel af te vragen of de koe, waarbij men een dergelijke dun vloeibare uitvloeiing waarneemt, wel werkelijk tochtig is.

Wanneer er zich in het vaginaslijm niet ettervlokjes, maar dikke klonters van een witachtige substantie bevinden, dan bevindt er zich sperma in de vagina van de koe. De betreffende koe is dan kort tevoren door een stier gedekt. De inseminatie moet dan beslist achterwege blijven. Anders kan de afstamming van het kalf later niet zondermeer met zekerheid worden vastgesteld. Soms wordt er bij koeien in plaats van een intra-uterine, of een intra-cervicale, ook wel eens een intra-vaginale inseminatie uitgevoerd. Ook daarbij komt er sperma in de vagina van de koe terecht. Echter die hoeveelheid is zo gering, dat dit nauwelijks in de vagina van de koe kan worden waargenomen. Bovendien: bij het verdunde sperma wat in een spermarietje zit, is vrijwel geen sprake meer van klontering. Diepvriessperma heeft ook vaak een andere kleur door het verdunningsmiddel waarmee dat sperma is behandeld. Dus ook aan de hand van de kleur van het sperma zou die discriminatie gemaakt kunnen worden.

Als er niet sprake is van vaginale uitvloeiing van etterig slijm maar van dikke, witte pus, dan is het vaak niet nodig om veterinaire hulp in te schakelen. De oorzaak van de vaginale uitvloeiing van dikke pus is nogal eens gelegen in het feit dat de dierenarts een aantal dagen eerder een PRID-spiraal in de vagina van de koe heeft ingebracht. Dit om op kunstmatige wijze tochtigheid bij die koe op te wekken. De PRID-spiraal heeft vaginitis bij de koe ten gevolge. En deze uit zich in de afscheiding van dikke pus. Een vaginitis die als gevolg van een perivaginale reactie (PVR) is ontstaan, geneest doorgaans spontaan binnen enkele dagen. Veterinaire hulp is dan dus niet nodig. Tenminste voorzover men weet dat er kort tevoren bij die koe een PRID-spiraal is ingebracht. Als de betreffende koe na die veterinaire behandeling werkelijk tochtig blijkt te zijn geworden, kan men beter nog wachten met het laten uitvoeren van een inseminatie bij die koe. Anders kan er met de pistolet enig pus in de baarmoeder van de koe terecht komen. En dat is vanzelfsprekend niet bevordelijk voor de vruchtbaarheid van die koe. Bovendien: bij een koe waarbij op een dergelijk manier min of meer kunstmatig tochtigheid is opgewekt, zal de inseminatie vaak niet tot drachtigheid blijken te leiden. Bij de daaropvolgende tochtigheid, na verloop van ongeveer drie weken, zal men na inseminatie wel een goede kans op drachtigheid maken.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org