KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Vruchtbaarheidsproblemen door een fanatieke manier van tochtigheidswaarneming.

Op bedrijven waar de veehouders erg hun best doen om toch maar geen enkele tochtigheid van een koe te hoeven missen, blijken de koeien relatief slecht drachtig te worden. Deze oorzaak voor bedrijfssubfertiliteit is onder inseminatoren maar al te goed bekend. Meerdere malen zijn dit bedrijven die bijzonder goed worden gemanaged. Net als bij hun overige werkzaamheden, streven de veehouders op dit soort bedrijven er naar om ook op het gebied van de tochtigheidswaarneming "weinig steken te laten vallen". Maar in grote tegenstelling tot het feit dat deze veehouders dan zo hun best doen op de tochtigheidswaarneming, blijken de bevruchtingsresultaten na kunstmatige inseminatie dikwijls erg tegen te vallen. "Hoe beter ik mijn best doe op de tochtigheidswaarneming, hoe slechter mijn koeien drachtig worden", verzucht men dan niet geheel onterecht. Natuurlijk vraagt men zich af wat de oorzaak daarvan is. En daarbij komt dan al gauw de oestrusdetectie (tochtigheidswaarneming) op zich, in beeld.

De bevindingen over de tochtigheidswaarnemingen die door de veehouder zijn gedaan, kunnen in vier categorieën worden ingedeeld. Ten eerste de categorie van de negatieve tochtigheidswaarnemingen. Dit betreft de categorie van koeien die niet tochtig zijn bevonden. Ten tweede de categorie van de positieve tochtigheidswaarnemingen. Dit betreft de categorie van koeien die wel tochtig zijn bevonden. Ten derde de categorie van de fout-negatieve tochtigheidswaarnemingen. Dit betreft de categorie van koeien die niet tochtig zijn bevonden, maar die in feite juist wel tochtig zijn. En ten vierde de categorie van de fout-positieve tochtigheidswaarnemingen. Dit betreft de categorie van koeien die wel tochtig zijn bevonden, maar die het in feite niet zijn.

Van deze verschillende categorieën tochtigheidswaarnemingen blijkt de laatste categorie op dit soort bedrijven vaak de oorzaak van de problemen te zijn. De categorie dus van de fout-positieve tochtigheidswaarnemingen. Op dit soort bedrijven worden dus blijkbaar relatief veel koeien geïnsemineerd, die op het moment van inseminatie niet vruchtbaar zijn. Dat is veel minder ridicuul dan het op het eerste gezicht misschien wel lijkt. Deze veehouders die zo verbeten letten op de symptomen van tochtigheid bij de koeien, zien veel meer symptomen die met de tochtigheid van koeien in verband zouden kunnen staan, dan de veehouders die hier (vaak door een grotere expertise) veel meer achteloos mee omgaan. In de vakliteratuur worden de veehouders er veelvuldig op gewezen hoe belangrijk het voor het waarnemen van de tochtigheid (oestrusdetectie) bij de koeien wel niet is om lang en veelvuldig naar de koeien te kijken. Het is dan ook niet zo vreemd dat sommigen onder hen dat advies ook zo vol ijver in acht nemen. Men is dan vaak erg oplettend en merkt zelfs de geringste symptomen, die met de tochtigheid in verband zouden kunnen staan, nog op. In de vakliteratuur van de veehouders staat vaak echter niet duidelijk beschreven hoe zij het best onderscheid kunnen maken tussen koeien met tochtigheidsverschijnselen die wel tochtig zijn en koeien met tochtigheidsverschijnselen die niet tochtig zijn.

Inseminatoren worden vaak geconfronteerd met koeien die hen ter inseminatie worden aangeboden, maar die niet tochtig lijken te zijn. In relatief veel van die gevallen worden die koeien echter wel geïnsemineerd. Want de veehouder heeft besloten om een dergelijke koe te laten insemineren. En de veehouder is doorgaans niet voor overleg aanwezig. Dus dan moet de inseminator wel "sterk in de schoenen staan", om te besluiten die inseminatie niet uit te gaan voeren. Als inseminator zal men zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg moeten gaan. Het accidenteel insemineren van een niet-tochtige koe brengt schade mee voor de veehouder. Als achteraf echter blijkt dat de koe wel had moeten worden geïnsemineerd, wordt de inseminator daar op aangekeken. Die situatie doet zich soms voor als een inseminator zich blijkt te hebben vergist in de beoordeling van de afwezigheid van de tochtigheid van de koe. Maar veel vaker doet die situatie zich voor als een koe, na behandeling door de dierenarts op een door hem aangegeven tijd moet worden geïnsemineerd. Koeien die op een dergelijke behandeling van de dierenarts niet op de standaard manier blijken te hebben gereageerd, zouden niet moeten worden geïnsemineerd. Maar die verantwoordelijkheid zal een inseminator niet gauw op zich willen nemen.

Een inseminator die zich realiseert dat zowel de keuze voor het niet insemineren van de koe hem moeilijkheden kan opleveren, als wel de keuze voor het wel insemineren van de koe, zal geneigd zijn voor de veilige weg te gaan kiezen. Dat wil zeggen: het uitvoeren van een intra-vaginale inseminatie. Omdat de kans op bevruchting bij een intra-vaginale inseminatie van een zeer kleine hoeveelheid sterk verdund diepvriessperma zo klein is, kan men een dergelijke inseminatie met enig recht van spreken een fake-inseminatie noemen. Omdat de inseminator de gegevens van die inseminatie in zijn computerbestand zal moeten gaan invoeren, zijn voor de veehouder aan een dergelijke fake-inseminatie wel twee nadelen verbonden. Ten eerste: het feit dat hij er voor zal moeten gaan betalen. En ten tweede: het feit dat hij daardoor de koe, voorzover zij reeds drachtig is, niet op het juiste moment zal kunnen gaan droogzetten.

Wat de zichtbare tochtigheidssymptomen betreft, zijn er eigenlijk slechts drie symptomen die ieder voor zich een veehouder voldoende zekerheid kunnen bieden om tot inseminatie van een koe te kunnen gaan besluiten. Ten eerste is dat de zogenaamde stareflex die een koe kan vertonen. Ten tweede is dat de afvloeiing van de koe van een lange sliert tochtslijm. En ten derde is dat het frequent bespringen door de koe van andere, niet-tochtige koeien. Alle overige symptomen die op tochtigheid bij de koe zouden kunnen wijzen, zijn slechts subtiele symptomen van tochtigheid bij de koe.

De meest voorkomende situatie die gemakkelijk aanleiding is tot een fout-positieve tochtigheidswaarneming, is de situatie waarin er een tochtige koe in het koppel koeien aanwezig is die voortdurend door één en dezelfde andere koe blijkt te worden besprongen. Vanwege die opvallende gedragsuiting van die andere koe, gaat men gemakkelijk veronderstellen dat die andere koe dan eveneens tochtig zal moeten zijn. Zolang men echter in die situatie geen verdere tochtigheidssymptomen bij die andere koe waarneemt, is dat niet het geval.

Een andere situatie die veelvuldig aanleiding is tot een fout-positieve tochtigheidswaarneming is het afvloeien van slijm uit de schede van de koe. Alleen wanneer er het zo typerende tochtslijm afvloeit uit de schede van de koe, wijst dat op de aanwezigheid van tochtigheid bij de koe. Maar de moeilijkheid hierbij is dat lang niet iedere slijmsliert (of slijmsliertje) waar een koe van afvloeit, een sliert van tochtslijm (ofwel cervixslijm) is. Veehouders die er erg op gebrand zijn om geen tochtigheid bij de koeien te missen, gaan dikwijls in de fout bij de beoordeling van dergelijke slijmslierten.

Een andere situatie die op bepaalde bedrijven ineens veelvuldig aanleiding is tot een fout-positieve tochtigheidswaarneming, is de situatie waarin er zich een nymfomane koe in het koppel koeien bevindt. De aanwezigheid van een nymphomane koe in een koppel koeien, is funest voor de tochtigheidswaarneming van de veehouder en voor de vruchtbaarheid van de koeien.

Nog een andere situatie van fout-positieve tochtigheidswaarneming doet zich relatief frequent voor wanneer de koeien in de wei worden gelaten, na een hele winter lang opgestald te zijn geweest. Vanuit hun tijdelijke enthousiasme over de opwindende gebeurtenis zijn zij dan versterkt geneigd om de andere koeien te bespringen.

Ook kan er zich een situatie van fout-positieve tochtigheidswaarneming voordoen, wanneer een bepaalde koe in zijn voortgang wordt belemmerd door een koe van lagere rangorde. De eerstgenoemde koe zal dan versterkt geneigd zijn om die andere koe te bespringen. Door de koe die voor haar loopt te bespringen, geeft zij het signaal af aan die andere koe dat zij voor haar aan de kant dient te gaan. Deze situatie doet zich niet alleen herhaaldelijk voor in de wachtruimte voor de melkput in een ligboxenstal, maar ook bij het voerhek in een ligboxenstal, als (nagenoeg) alle vreetplaatsen bezet zijn.

Een andere, heel bijzondere situatie, die aanleiding kan zijn tot fout-positieve tochtigheidswaarnemingen, is de situatie waarin de koeien (kort na het opstallen in de herfst) zijn geschoren. Koeien die dat scheren als bijzonder aangenaam hebben ervaren, hebben vaak versterkt de neiging om op mensen, die in de stal aanwezig zijn, toe te gaan lopen. Dat gegeven kan gemakkelijk verkeerd als een tochtigheidssymptoom worden geïnterpreteerd.

Koeien die op verzoek van de veehouder door de dierenarts kunstmatig met behulp van prostaglandines "tochtig worden gespoten", kunnen een heel bijzondere en oneigenlijke bron van fout-positieve tochtigheidswaarnemingen vormen. Dergelijke koeien moeten op instigatie van de dierenarts na twee of drie dagen worden geïnsemineerd, tenminste voorzover zij de dag daarvoor tochtig blijken te zijn geworden. Koeien die niet op de standaard manier op die behandeling blijken te hebben gereageerd, worden door de veehouders zeer frequent wel voor inseminatie aangeboden.

Bij koeien die op het punt staan te gaan aborteren, wordt ook nogal frequent een fout-positieve tochtigheidswaarneming gedaan. Dat komt omdat de gedragsveranderingen bij koeien die op het punt staan om te gaan aborteren, overeenkomsten vertonen met de gedragsveranderingen bij koeien die tochtig zijn geworden. Het zo typerende onrustige gedrag van aborterende koeien, is allicht de grootste oorzaak van het feit dat men ten onrechte meent met een tochtige koe van doen te hebben.

Veehouders die wat al te graag tochtigheid bij hun koeien willen waarnemen, gaan ook vaak in de fout bij de symptomen welke slechts op subtiele wijze op tochtigheid van de koe kunnen wijzen. Een voorbeeld hiervan is het subtiele verschijnsel van het op een opvallende wijze loeien van koeien. Dit is een verschijnsel wat frequent leidt tot een verkeerde duiding van tochtigheid bij koeien. Een ander voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van schuurplekken op het kruis van een koe. Daar gaat men ook gemakkelijk mee in de fout. De meting van het celgetal in de melk, zowel als de temperatuurmeting van de melk, zowel als de meting van de beweeglijkheid van de koe (door middel van een stappenteller), zijn ieder afzonderlijk hier ook (beruchte) voorbeelden van.

Hoe goed men overigens als veehouder ook zijn best doet om de koeien tochtig te zien, nooit zal men dit kunnen waarnemen bij koeien die gewoon niet tochtig worden. Dit laatste doet zich gemiddeld voor bij ongeveer twintig procent van de koeien die niet tochtig worden gezien. In verreweg de meeste gevallen is er dan sprake van een probleem met de ovaria van de koe (hetzij de aanwezigheid van een persisterend corpus luteum op de ovaria, hetzij de aanwezigheid van cysten op de ovaria, hetzij een situatie van het bestaan van weinig of geen activiteit op de ovaria). Wanneer men naar perfectie in de tochtigheidswaarneming streeft, loopt men het gevaar dat men juist ook bij deze koeien onterechte waarnemingen van tochtigheid doet. Omdat het percentage koeien dat in het geheel niet tochtig wordt, beslist niet verwaarloosbaar klein is, kunnen de onterechte waarnemingen van tocht bij deze koeien van invloed zijn op de bevruchtings- en drachtigheidsresultaten op een veehouderijbedrijf. Bij deze categorie koeien maakt het erg veel verschil als men bijtijds het probleem onderkent en als men er hulp van de dierenarts voor inschakelt, of dat men die koeien op basis van aanvechtbare tochtigheidssymptomen toch maar gaat laten insemineren.

Veehouders die een goede bedrijfsvruchtbaarheid nastreven, kunnen dus beter niet al te fanatiek letten op de tochtigheidsverschijnselen bij hun koeien. Want als men daar niet al teveel op let, zal men hoofdzakelijk alleen de duidelijke gevallen van tochtigheid onder de koeien gaan waarnemen. De koeien die op die wijze worden waargenomen, worden relatief beter drachtig. Er worden dan minder koeien foutief voor inseminatie aangeboden. En voor de dieren waarbij men geen (duidelijke) tochtigheid waarneemt, zal men dan iets vaker een consult van de dierenarts gaan aanvragen. Dat laatste zal de vruchtbaarheid van de koeien op het bedrijf ook in belangrijk mate, in positieve zin, kunnen gaan beïnvloeden. Wil men toch liever zoveel mogelijk zelf "de teugels in handen houden", dan kan men het beste overgaan naar een geïntegreerd systeem van automatische tochtherkenning bij de koeien. Dat willen zeggen: een systeem wat de informatie van stappentellers, de informatie over de meting van het celgetal van de melk en de informatie over de meting van de temperatuur van de melk, in één gegeven integreert. Dat geïntegreerde gegeven zal onmiskenbaar, met een grote mate van betrouwbaarheid, van nutte kunnen zijn bij het attenderen van de veehouder op de tochtigheid van de koeien. Hierbij is het wel nodig dat de koeien door de computer worden herkend. Daartoe zullen de koeien een halsband om de nek moeten hebben waaraan een transponder is bevestigd.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org