KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Stil-tochtige koeien zijn wel degelijk tochtig.

Het verschijnsel van de stille tocht (of stille bronst) bij koeien wordt door dierenartsen suboestrus genoemd. Met deze term duiden dierenartsen niet alleen de tochtigheid aan van koeien zonder uiterlijk waarneembare tochtverschijnselen, maar ook de tochtigheid van koeien waarbij de veehouder de wel aanwezige tochtverschijnselen niet heeft waargenomen. Door het brede spectrum van koeien wat door de term suboestrus wordt gedefinieerd, betreft het hier zowel goed als slecht vruchtbare koeien.

Voor de goed vruchtbare, suboestrische koeien is vanzelfsprekend geen veterinaire behandeling noodzakelijk. De veehouder zal, wat deze koeien betreft, wel kunnen profiteren van de algemene kennis van de dierenarts over de vruchtbaarheid van koeien. Zodat ook voor deze koeien een consult van de dierenarts van nut kan zijn.

Wat deze laatste categorie koeien betreft, moet men vooral ook denken aan de koeien die kort tochtig zijn. Koeien dus waarbij de bronstperiode betrekkelijk snel is afgelopen. Dergelijke koeien worden nogal eens gemist bij de reguliere tochtcontrole door de veehouder. De tochtigheid is bij deze categorie koeien vaak te kort om bij het normale inseminatiebeleid tot bevruchting te kunnen lijden. Dergelijke koeien blijken vaak al reeds af te bloeden op het moment dat de inseminator is verschenen voor de uitvoering van zijn taak. En drie weken later, wanneer die koeien weer opnieuw tochtig zijn, blijkt de situatie dan vaak niet anders te zijn. Hoewel kort-tochtige koeien op zich niet verminderd vruchtbaar zijn, zijn het wel koeien die frequent opbreken. In de praktijk blijkt iedere veehouder wel een aantal van dergelijke kort-tochtige koeien te hebben. Gelukkig is er een goede methode om deze koeien toch nog door de inseminator te kunnen laten bevruchten. Namelijk door ze tijdens het afbloeden beslist niet te laten insemineren, maar door ze consequent op de twintigste dag na afbloeden opnieuw voor inseminatie te gaan aanbieden.

Dit insemineren op een uitgerekende dag is normaliter geen goede methode gebleken te zijn om bij een voldoend hoog percentage van de inseminaties tot bevruchting te leiden. Maar bij de inseminatie van een kort-tochtige koe blijkt deze methode wel redelijk succesvol te zijn. Heeft men een dergelijke koe, tegen beter weten in, wel laten insemineren terwijl zij al zeer duidelijk aan het afbloeden was, dan weet men drie weken later niet helemaal zeker of die koe niet drachtig zou kunnen zijn. Er is dan immers een kleine kans dat die koe drachtig is geworden van die inseminatie op het moment dat zij aan het afbloeden was. Het uitvoeren van een inseminatie is dan ook om die reden vanzelfsprekend uit den boze. Wil men de kans op een succesvolle bevruchting bij dergelijke koeien nog iets extra vergroten, dan kan men overwegen om ze op zowel de negentiende als wel als op de twintigste dag na afbloeden te laten insemineren.

Voor de minder goed vruchtbare suboestrische koeien kan de dierenarts in bepaalde gevallen ook goed uitkomst bieden. De oorzaak voor de mindere duidelijke tochtexpressie is bij deze koeien nogal eens gelegen in het feit dat de melkproductie, ten opzichte van de drogestofopname, van die koeien hoog is. Die koeien zitten dan in een negatieve energiebalans. In het bloed van dergelijke koeien blijft de concentratie van oestrogenen dan te laag om een duidelijke tochtexpressie te bewerkstelligen. Maar ze is meestal nog wel hoog genoeg om een ovulatie te realiseren. De dierenarts zal in een dergelijk geval die koe kunnen gaan behandelen met een van de prostaglandine hormonen. Maar er is in dat geval betrekkelijk weinig zekerheid over het tijdstip waarop de ovulatie zal plaatsvinden. Zodat het geen al te handige methode zal blijken te zijn als men er toe over zou gaan om dergelijke koeien na de hormoonbehandeling blind te gaan insemineren. Dit in grote tegenstelling tot bij kort tochtige koeien (zie hier boven).

Suboestrus doet zich ook voor bij pinken die nog maar net in de puberteit zijn gekomen. De eerste cycli van een pink zijn vaak ook nog niet goed op orde. Ook tijdens die cycli komt suboestrus bij pinken voor. En verder is hier normaliter sprake van bij koeien die nog maar enkele weken geleden hebben afgekalfd. Na een eerste suboestrische tochtigheid, zullen koeien een ware tochigheidscyclus mee maken. Echter die cyclus zal dan nog niet goed op orde zijn om een reële kans op bevruchting van de dieren te hebben. Pas bij de tochtigheid die daar op volgt, is er wel een reële kans op bevruchting na inseminatie. Tenminste voorzover de gezondheidstoestand en de conditie van de koeien goed zijn. Suboestrus kan zich op een later moment na afkalven ook nog voordoen. Maar in het algemeen geldt, dat hoe langer geleden het afkalven heeft plaatsgevonden, hoe minder vaak er van suboestrus sprake zal zijn.

Koeien kunnen ook om gezondheidsredenen, of om psychische redenen, minder goed hun tochtigheid tonen. Bij koeien met een klauwontsteking zullen bijvoorbeeld veel minder gemakkelijk de eventuele bronstverschijnselen kunnen worden waargenomen. Want dergelijke koeien hebben veel minder de neiging om rond te lopen en om de andere koeien te bespringen. De tochtigheid van die koeien valt dan minder op. Bij koeien die bang zijn om uit te glijden in de stal, zal de tochtigheid ook minder gemakkelijk worden onderkend. Evenals het geval is bij koeien die op een laag niveau in de sociale rangorde tussen de koeien staan. (De laatste beide gevallen zijn voorbeelden van koeien die om psychische redenen moeite hebben om hun tochtigheid te tonen.)

Als veehouder zal men gemakkelijk geneigd kunnen zijn om de tochtigheidswaarneming door intensivering te trachten te verbeteren. Dit om een groter gedeelte van de bestaande tochtigheden bij de koeien te kunnen waarnemen. Als men dit doet, zal blijken dat men ook werkelijk bij meer koeien tochtigheidsverschijnselen waarneemt. Maar het Non-Returncijfer na eerste inseminatie zal dan blijken te dalen. Dat komt deels doordat men dan vaker te doen krijgt met vermeende tochtigheden. En voor een ander deel komt dat ook omdat men dan vaker koeien waarneemt waarbij de tochtexpressie relatief zwak is. Voor een belangrijk deel zijn dat de suboestrische, of stil-tochtige koeien. En stil-tochtige koeien zijn, gemiddeld gesproken, veel minder goed vruchtbaar dan de koeien die zeer goed waarneembaar tochtig zijn. Om de tussenkalftijd op een veehouderij-bedrijf te verbeteren, doet men er doorgaans verstandiger aan om een goede administratie van de waargenomen tochtigheden bij te houden, dan om de tochtigheidswaarneming al te zeer te gaan intensiveren. Door die administratie kan men vrij gemakkelijk ontdekken voor welke koeien fertiliteitsbegeleiding van de dierenarts wenselijk zou kunnen zijn.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org