KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Het echte of vermeende bestaan van de afwijking dubbele cervix.

Tijdens het uitvoeren van een inseminatie bij een koe wordt men soms geconfronteerd met de congenitale afwijking die dubbele cervix, ofwel cervix duplex wordt genoemd. Bij een dergelijke koe is de baarmoederhals (de cervix uteri) in het embryonale ontwikkelingsproces (ten gevolge van een onvolledige fusie van de linker en de rechter buis van Müller) integraal of partieel dubbel aanwezig. In feite is er meestal niet sprake van een geheel of gedeeltelijk dubbel aangelegde baarmoederhals, dan wel van een geheel of gedeeltelijk aangelegd baarmoederhalskanaal.

Als er in de veehouderijpraktijk wordt gesproken over het bestaan van een dubbele cervix bij een koe, zal er echter niet in alle gevallen ook werkelijk sprake zijn van een complete ofwel een incomplete dubbele cervix. Het kan ook zijn dat er dan in feite sprake is van een andere afwijking bij die koe. Namelijk een afwijking die doet denken aan de afwijking dubbele cervix. Een vermeende dubbele cervix dus. Als er zich overdwars in de vagina van de koe bijvoorbeeld een bindweefselstreng (verkleving) bevindt, zou dat tijdens het inseminatieproces de indruk kunnen wekken dat men met een dubbele cervix van doen heeft. Een dergelijke streng bestaat uit pezig weefsel. Wanneer een dergelijke streng korter is dan de wijdte van de vagina, ontstaat er in de vagina een ondiepe ruimte die men pocket noemt. Het uiteinde van de pistolet kan tijdens het uitvoeren van de inseminatie in een dergelijke pocket terecht komen. Dit feit zou dus onterecht de indruk kunnen wekken dat men met een extra canalis cervicis van doen heeft. Als er zich in de vagina van de koe het een of andere gezwel bevindt, kan ook dat gegeven de indruk wekken dat men met een dubbele cervix van doen heeft. Dit omdat de punt van de pistolet in een dergelijke situatie niet als vanzelf naar het ostium externum leidt. Omdat het voor het uitvoeren van de inseminatie van weinig belang is om te weten te komen of het werkelijk om de afwijking dubbele cervix gaat, of dat het slechts om een vermeende dubbele cervix gaat, wordt dit door de inseminator doorgaans niet verder uitgezocht. Wanneer een inseminator spreekt over een dubbele cervix, hoeft hier dus niet in alle gevallen werkelijk sprake van te zijn. Het aantal dubbele cervices dat onder de koeien voorkomt, is dus minder groot dan vaak wordt verondersteld.

Toen er in het recente verleden bij het insemineren van koeien nog gebruik werd gemaakt van een speculum, ofwel een speculo vaginal, kwam men de afwijking dubbele cervix overigens betrekkelijk vaak tegen. Dat kwam deels doordat men bij die inseminatiemethode in staat was om door visuele aanschouwing ook de meest onbeduidende dubbele cervix als zodanig waar te nemen en voor een ander deel kwam dat doordat die afwijking toevallig in de koeienstam van een beroemde fokstal aanwezig was en men toen juist veel gebruik maakte van stieren die uit die fokstal afkomstig waren. Sinds de Holsteinisatie zijn invloed heeft doen gelden op het Fries-Hollandse veeras is de frequentie waarin men deze afwijking tegenkomt, minder groot geworden. Mogelijk komt deze afwijking in het Holstein-Frisian ras niet, of minder frequent voor.

Bij de huidige inseminatiemethode wordt de aanwezigheid van een dubbele cervix niet alleen minder vaak ontdekt, maar zij levert daarbij ook minder vaak een probleem op. Meestentijds komt men bij deze inseminatiemethode als vanzelf in het juiste canalis cervicis terecht. Doordat men bij deze inseminatiemethode de cervix voorafgaande aan de invoer van de pistolet naar voren uitstrekt, komt het meest centraal gelegen canalis cervicis als vanzelf op één lijn te liggen met de vagina van de koe. En het meest centraal gelegen canalis cervicis is doorgaans ook het canalis cervicis wat onbelemmerde doorgang biedt aan de inseminatiepistolet. Als er cervixkanalen aanwezig zijn die vanuit het centrum van de cervix afbuigen, bieden die betreffende cervixkanalen doorgaans geen doorgang aan de pistolet.

Maar hoe ontdekt men dan nu wel dat men te maken heeft met een dubbele cervix, zult u vragen. Als men bij palpatie vanuit het rectum van de koe voelt dat de cervix deltavormig richting de vagina uitwaaiert, zal dat kunnen betekenen dat men te maken heeft met de aanwezigheid van een dubbele cervix. In een dergelijk geval zal één van de cervixkanalen vaak blind blijken te eindigen. Men blijkt dan de cervix niet verder over de pistolet heen te kunnen schuiven. Overigens kan ook alleen het feit op zich, dat een canalis cervicis blind eindigt, een aanwijzing zijn voor het bestaan van een extra canalis cervicis. Als de cervix over de gehele lengte aanvoelt als een op zijn zij gelegen cijfer acht, kan ook dat een aanwijzing zijn voor het bestaan van een dubbele cervix. Vaak zal men dan te maken hebben met een complete dubbele cervix. Als men tijdens de inseminatie voelt dat de pistolet niet mooi centraal richting het cavum uteri voert, zal men ook aan de hand van dat feit kunnen worden geattendeerd op het bestaan van een dubbele cervix. Als men tijdens het uitvoeren van de inseminatie in een blind eindigend canalis cervicis heeft gezeten, is de kans relatief groot dat men met de punt van de pistolet een inwendige verwonding heeft veroorzaakt. Ontdekt men na afloop van de inseminatie dat er zich een spoortje bloed bevindt aan het uiterste puntje van de pistolet, dan zou ook dat feit op zich al een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een dubbele cervix. Bij het constateren daarvan zal men de koe uiteraard even over moeten insemineren.

Als inseminator zal men ten alle tijde bedacht moeten zijn op het vóórkomen van een dubbele cervix bij de te insemineren koeien. Vooral ook bij koeien die om verder onverklaarbare reden te vaak opbreken. Maar men moet wel opletten dat men niet met de pistolet gaat zoeken om een extra canalis cervicis. Want doet men dat wel, dan zal men geneigd zijn om te gaan prikken. De inseminatiemethode waarbij men prikkend om het ostium externum zoekt en al prikkend de cervix tracht te passeren, is duidelijk inferieur aan de inseminatiemethode waarbij men de cervix over de gestabiliseerde pistolet heen terugvoert, na deze eerder naar voren te hebben verplaatst. Een inseminator die prikkend zijn doel zoekt, blijkt relatief vaak een verwonding in de vagina van de koe te bewerkstelligen. Ook in dat geval zal men relatief vaak een spoortje bloed aan de uiterste punt van de pistolet aantreffen. Als men tijdens het uitvoeren van de inseminatie met de pistolet om een extra canalis cervicis gaat zoeken, loopt men bovendien het risico dat men het goede gevoel voor het uitvoeren van de inseminaties een tijd kwijt raakt. Bij eventuele volgende inseminaties op dezelfde dag, kan dit effect tot gevolg hebben dat men die inseminaties minder gemakkelijk en minder goed zal blijken te kunnen uitvoeren. Mocht men het vermoeden hebben dat men met een extra canalis cervicis van doen heeft, dan is het daarentegen beter om te trachten de cervix op die betreffende plaats om de pistolet heen te voeren. Mocht men dan gewaar worden dat een passage van dat canalis cervicis niet gemakkelijk mogelijk is, dan zal men die actie moeten gaan stoppen. In de meeste gevallen heeft men dan van doen met een incompleet canalis cervicis. Mocht men vermoeden dat het betreffende extra canalis cervicis wel compleet is, maar dat het te nauw is voor de passage van de pistolet, dan zou men daar een deel van het sperma kunnen gaan deponeren.

Als er sprake is van een complete dubbele cervix, dan wil dat nog niet zeggen dat ook het corpus uteri gedeeld is. In de meeste gevallen is dat niet het geval. Het maakt dan niet uit via welk canalis cervicis men het sperma in het ostium internum deponeert. Maar soms is er sprake van een scheidingswand in het corpus uteri. Ieder compleet canalis cervicis zal dan slechts toegang geven toe de eigen homolaterale cornu uteri. In een dergelijk geval zal de koe niet drachtig worden als men het sperma alleen maar in het andere cornu uteri heeft gedeponeerd. Soms is er bij een koe ook sprake van een zogenaamde uterus didelphys. Zowel de uterus, als de cervix, als de vagina, zijn dan dubbel aanwezig. In een dergelijk geval zal men eveneens het sperma dienen op te delen. Uiteraard zou men ook eerst de ovaria kunnen gaan palperen om er achter te komen op welk ovarium zich de rijpe follikel bevindt. Maar daarbij loopt men het gevaar om de ovulatie te forceren. En na een geforceerde ovulatie is de kans op bevruchting gewoonlijk minimaal. Daarom is het beter het sperma in een dergelijk geval over de beide vagina's te gaan opdelen.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org